2 Corinthiërs 6:11-18
De apostel wendt zich nu meer bepaald tot de Corinthiërs, met enige waarschuwing tegen hun vermenging met ongelovigen. Merk hier op:
I. Hoe de waarschuwing wordt ingeleid met een betuiging, op zeer aandoenlijke manier, van de tederste liefde voor hen, evenals van een vader voor zijne kinderen, vers 11-13. Ofschoon de apostel over groten overvloed van woorden beschikken kon, kwam hij naar het schijnt thans woorden tekort om de warme liefde uit te drukken, welke hij voor deze Corinthiërs gevoelde. Het is alsof hij zei: "O gij Corinthiërs, aan wie ik nu schrijf, ik wenste dat ik u overtuigen kon hoe lief ik u heb, wij zijn begerig om het geestelijk en eeuwig welzijn te bevorderen van allen, aan wie wij prediken, maar onze mond is opengedaan tegen u en ons hart is uitgebreid, op zeer bijzondere wijze. En omdat zijn hart zo in liefde tot hen uitgebreid werd, daarom werd zijn mond zo vrijmoedig opengedaan in waarschuwingen en vriendelijke vermaningen. Gij zijt niet nauw in ons, zegt hij. Wij willen u gaarne alle mogelijke diensten bewijzen, en uw geluk bevorderen, als helpers aan uw geloof en uw blijdschap. En zo het anders gaat, dan ligt de schuld bij u, dan is het omdat gij nauw zijt in uwe ingewanden, en u niet tot ons wendt, door sommige misverstanden omtrent ons. Al wat wij begeren is dat gij in dezelfde mate ons genegen zijt, gelijk kinderen hun vader behoren lief te hebben. Het is zeer wenselijk dat er wederkerige genegenheid besta tussen de dienaren en hun gemeenteleden, want dat zal grotelijks bevorderlijk zijn aan hun wederkerig geluk en voordeel.
II. De waarschuwing of vermaning zelf, om zich niet te vermengen met de ongelovigen, en niet eenzelfde juk met hen aan te trekken.
1. Niet in geregelde betrekking. Het is verkeerd van gelovigen om zich sterk te hechten aan goddelozen en onheiligen, zij zullen ieder een anderen weg opgaan en dat zal nadelig en grievend worden. De betrekkingen, die in onze keus staan, moeten met zorg gekozen worden, en het is goed voor hen, die zelf kinderen Gods zijn, om zich bij hun geestverwanten aan te sluiten, want er bestaat meer gevaar dat het kwade het goede zal schaden dan hoop, dat het goede het kwade zal verbeteren.
2. In het gewone verkeer. Wij moeten niet hetzelfde juk van vriendschap dragen met ongelovigen en goddelozen. Ofschoon wij den omgang met dezulken niet geheel kunnen vermijden, mogen we hen toch nooit tot onze boezemvrienden kiezen.
3. Veel min nog zullen wij in godsdienstige gemeenschap met hen staan, wij mogen niet deelnemen in hun afgodische diensten, of met hen mededoen in hun valsen godsdienst of enige andere ketterij, wij mogen de tafel des Heeren niet vereenzelvigen met de tafelen der duivelen, en niet het huis Gods gelijkstellen met dat van Rimmon. De apostel geeft verscheidene goede redenen tegen deze verderfelijke vermenging op.
A. Is het een grote ongerijmdheid, vers 14, 15. Het is een ongelijk juk voor dingen, die niet samengaan kunnen, even verkeerd als het voor de Joden was om te ploegen met een os en een ezel, of verschillende soorten van zaad in dezelfden akker te zaaien. Welk een ongerijmdheid is het om er aan te denken om gerechtigheid en ongerechtigheid samen te voegen, licht en duisternis, vuur en water. Gelovigen zijn, en behoren te zijn, rechtvaardigen, maar ongelovigen zijn onrechtvaardigen. Gelovigen zijn gemaakt licht in den Heere, maar ongelovigen zijn in de duisternis, en welke gemeenschap kunnen die beide met elkaar hebben? Christus en Belial zijn het tegendeel van elkaar, zij hebben tegenstrijdige belangen en wensen, zodat het onmogelijk is, dat er enige samenstemming tussen die beiden bestaat. Het is derhalve ongerijmd er aan te denken die beiden met elkaar te verbinden, en indien de gelovige deel heeft met den ongelovige, dan doet hij al wat hij kan om Christus en Belial met elkaar in gemeenschap te brengen.
B. Het is ontering van de Christelijke belijdenis, vers 16, want de Christenen belijden te zijn, en behoren in werkelijkheid te zijn, de tempel des levenden Gods, gewijd aan en gebruikt in den dienst van God, die beloofd heeft in hen te zullen wonen en onder hen te zullen wandelen, in bijzondere betrekking met hen te staan, bijzondere zorg voor hen te dragen, hun God te zijn terwijl zij zijn volk zullen zijn. Nu kan er geen samenvoeging zijn van den tempel Gods met de afgoden. Afgoden zijn mededingers naar de ere Gods, en God is een ijverig God, die Zijne eer niet aan anderen geeft.
C. Er is zeer groot gevaar in de gemeenschap met ongelovigen en afgodendienaars, gevaar van te worden onteerd en verworpen, daarom volgt de waarschuwing, vers 17 :Gaat uit het midden van hen, houdt u op behoorlijken afstand, scheidt u af, zoals men het gezelschap van melaatsen en pestlijders vermijden zou, raakt niet aan hetgeen onrein is, want anders wordt ge besmet. Wie kan pek aanraken en zich niet bezoedelen? Wij behoren te zorgen dat wij ons niet bezoedelen door den omgang met hen, die door zonden bezoedeld zijn, dat is de eis Gods, indien wij hopen willen door Hem aangenomen en niet verworpen te worden.
D. Het is lage ondankbaarheid tegen God voor al de gunsten, die Hij den gelovigen verleend en beloofd heeft, vers 18. God heeft beloofd hun Vader te zijn, en dat zij Zijn zonen en dochters zijn zullen, en is er groter geluk of eer dan dat? Hoe ondankbaar is het dus dat zij, die deze waardigheid en zaligheid hebben, zich zouden verlagen en onteren door zich met ongelovigen te vermengen! Zullen wij den Heere tergen? O dwazen en onwijzen!