1. Omdat wij dan deze belofte hebben, zoals die in de
Spreuken 6:16-
18 aangevoerd vervat zijn, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting van het vlees, die plaats heeft als zintuigen en leden aan de dienst van de onreinheid worden overgegeven (
Romeinen 6:19) en van de geest, "waardoor de mens inwendig zichzelf voor God bevlekt en verderft, al blijkt het ook niet uitwendig voor de wereld" Strijden wij tegen alle kwaad, voleindigend de heiligmaking in de vrees van God. Hij is de Alwetende en Alomtegenwoordige, wiens gemeenschap ten voorwaarde heeft, dat wij ernstig streven naar volkomen heiligheid (
Hebreeën 12:14).
Mede aangegrepen door de allerhoogste liefde, die in de aangehaalde belofte is uitgesproken, spreekt Paulus naar het hart van zijn broeders en zusters, de zonen en dochters van de almachtige Heer. Hij noemt ze "geliefden" en verandert zijn vaderlijke vermaning (Hoofdstuk 6:14,) in de aanmaning, die hij ook tot zichzelf richt: "laat ons. " Wij hebben, schrijft hij, zulke beloften; wij hebben ze als vervuld door het geloof, als nog te vervullen in hoop. Wij zijn aangenomen door God tot Zijn volk, een volk van zonen en dochters en wij zijn geheiligd tot een tempel van de levende God, waarin God woont en wandelt. Toch is het nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, als op het laatste uitgaan uit dit stof, namelijk uit het graf, het ingaan in het eeuwige vaderhuis in de hemel zal volgen. Opdat wij dan mogen worden bevonden onder de aangenomenen en geheiligden, laat ons dan enz.
De aanmaning om onszelf te reinigen is niet in tegenspraak met de waarheid van het woord in 1 Corinthiërs 6:11, maar de reeds ontvangen genade verplicht ons, om wat God aan ons gedaan en geschonken heeft, nu ook in trouwe gehoorzaamheid ten nutte te maken en daartoe de door God ons medegedeelde kracht en genade ons te laten dienen. Van besmetting van het vlees en van de geest spreekt de apostel, terwijl onder de eerste wel de zonde van lichamelijke onreinheid, onmatigheid, ontucht en wat er bij behoort, onder zulke zonden, die naar haar aard meer van de geest zijn, als trotsheid, eergierigheid, nijd, heerszucht enz. moeten worden verstaan. Zonden van het vlees en van de geest sluiten elkaar niet wederkerig uit, maar kruisen elkaar gedurig en gaan met elkaar gepaard. Des te noodzakelijker is het tegen beide ernstig te strijden. Voor de Corinthiërs was aan de ene kant de overhelling tot geslachts-zonden en de neiging tot deelname aan afgodische onreinheid, aan de andere de hooggaande ijdelheid en de duisternis van een ingebeelde hoogte van kennis gevaarlijk en een zaak, waartegen noodzakelijk moet worden gewaakt en gestreden.
Wat de heiligmaking aangaat, waartoe de apostel naast het reinigen door dagelijkse boete en vernieuwing oproept, deze is begonnen door het verlaten van het oude leven, door het naderen tot God, door de overgave aan Zijn dienst; maar deze moet worden voortgezet en volmaakt. Vrees van God is hierbij onze vastheid en onze bewaring; er moet worden gewaakt, dat wij die niet verliezen (2 Petrus 3:17).
Op de smalle weg niet voortgaan, is achterwaarts gaan; want het minste goed is hij, die niet beter wil zijn en als iemand begint niet beter te willen zijn, dan houdt hij op goed te zijn. (ST. BERNHARD).
"Heilig", "Heiligen", ook deze Schrifttermen ontsluiten ons hun krachtige inhoud niet, tenzij we het licht van de openbaring daarop vallen laten. Immers, of u al zegt: heilig is wat door geen zou werd besmet, dan heeft u goed gezegd wat heilig niet is, maar nog niet, wat het wel is. Dan zou u om de betekenis van het "Heilige" te verstaan, eerst het wezen van de zonde moeten beschrijven. En werd dan van de zonde weer gezegd, dat ze een gemis van heiligheid is, dan zouden we ons in een cirkel voortbewegen en ons met klanken tevreden stellen, zonder dat de zin van wat heilig is werd verstaan. Slaan we daarentegen de Schrift op, dan zullen we vinden, dat heiligheid, verre van slechts een ontkenning te wezen, integendeel het zeer hoge begrip van de "zuiverheid, onvervalstheid en volkomenheid van het wezen" uitdrukt. Ook in ons dagelijks leven geldt het onvermengde voor ons als het hoogste, edelste en volkomenste. "Onvermengd goud" is het gulden metaal van zuiver gehalte en daarom in waarde het hoogst. Alleen Hij, wiens bloed van vreemd bloed onvermengd en vrij bleef, is uit Oud-Hollands echte stam. Het onvermengde ras van het strijdros van de Arabische vlakte heeft in elks oog de hoogste keur. En waar, om op het gewijde over te treden, de Schrift ons in een beeld de volkomen zaligheid van de hemel afspiegelt, spreekt ze van de beker ongemengde wijn, "dien de Heere Zebaoth alle volken zal bereiden op Zijn heilige berg. " Dat onvermengde nu, dat zuivere en van alle bijvoeging ontdane, die innerlijke volkomenheid en geheelheid van het wezens drukt de Schrift uit door het woord "Heilig"; en "heiligen" is haar het eerst vermengde van die bijvoeging: bevrijden. "Heilig! Heilig! Heilig! is de Heere van de Heirscharen", zingen de Serafs dies voor de Troon, om de Eeuwig Ongeziene te volprijzen als Hem, die de "Volkomenheid" in Zichzelf is. En evenzo, van "Heiligen" wordt schier op elke bladzijde van de Schrift gesproken, als van een geestelijke daad, waardoor de onreine vermenging van het goddelijke en menselijke wordt opgelost. Er is in de Schrift sprake van heiligen als een daad van God en van heiligen als een daad van de mensen. "De God van de vrede zelf heiligt u geheel en al" (1 Thessalonicenzen 5:23). Hier is het heiligen een daad van God. "Heiligt God de Heere in uw harten" (1 Petrus 3:15), wordt blijkbaar geëist als een daad van de mensen. Er wordt in de Schrift onderscheiden tussen heiligen in theocratische en heiligen in zedelijke zin. "Heilig Mij, alle eerstgeborenen (Exodus 13:2), dus theocratisch. En weer: "Bent heilig, want Ik ben heilig", wat, als tot het theocratisch-heilig volk gezegd, slechts in zedelijke zin kan worden opgevat. Men leest in de Schrift van heiligen, als zuiver uitwendige ceremonie en evenzo wordt het als ontzettende daad van het oordeel voorgesteld. "Zalf de tabernakel en heilig hem" (Leviticus 3:10), waar aan niets dan een ceremonie kan gedacht worden. Daarentegen "toen heiligden zij Kedes in Galilea" (Jozua 20:7), waarvan de Schrift zelf getuigt, dat het als verwoesting en uitroeiing van deze stad van Kanaänieten is te verstaan. Enerzijds eindelijk meldt de Schrift van de heiliging in Christus als een daad, die geheel volbracht is, maar ook anderzijds van een heiliging in Zijn gemeenschap, die nog steeds wordend, eerst in de voleinding van de dingen haar voltooiing zal tegengaan. "waarin wil wij geheiligd zijn" (Hebreeën 10:10). Hier is de heiliging volbracht. En omgekeerd: "Die heilig is, dat hij nog geheiligd wordt", dus een ontwikkelingsproces, dat zijn voleinding nog beidt. Welnu, deze zo verschillende en schijnbaar strijdende uitspraken van de Schrift moeten onder één gezichtspunt worden samengevat. De schijnbaar hoogst eenvoudige opmerking, dat men goed en kwaad scheiden kan, zowel door het goede van het kwade, als door het kwade van het goede weg te nemen, moet ons de weg naar dat alles omvattend gezichtspunt openen, waar beide zo uiteenlopende betekenissen slechts stralen blijken van éénzelfde rond. Die daad van God nu, waardoor Hij de onware vermenging van het goddelijke met het zondige tegenhoudt en integendeel ons leven in de natuur van het goddelijke omzet, noemt de Schrift "Heiligen". Vormt nu de vleeswording van het Woord in deze openbaring van God het middelpunt, dan ligt het in de aard van de zaak, dat deze daad van "heiliging" een verschillend karakter moet dragen, naar gelang we ons in de toestand vóór Zijn verschijnen verplaatsen, of reeds juichen in de Zoon die kwam. Vóór de volle doorbreking van de openbaring in Christus naderde het leven van God tot de mens, als was het van buiten af, in zijn volksstaat, in zijn volksleven, in zijn wetten, in zijn eredienst en offerande, bovenal in zijn heiligste plaats, waar meer dan ergens de tegenwoordigheid van de Heere geopenbaard werd. Die daad van "heiliging" nu als vrijwaring tegen vermenging, gaat door, ook waar de Christen verschijnt. In Hem bereikt de openbaring van God haar hoogste toppunt, wordt ze volkomen. Was toch de openbaring een komen van God tot de zondaar, dan kon dat komen, dat naderen van God natuurlijk eerst daar volkomen zijn, waar Hij zelf tot de mens, ja in de mensheid inging en de profetie vervuld werd: Zie, hier is uw God! Het Woord werd vlees. In de gelijkheid van het zondige vlees verscheen de eeuwige Zoon van de Vader. Uitgenomen de zonde werd Hij de broeders in alles gelijk. Onze zonde, onze vloek droeg Hij, ja, Hij werd zonde gemaakt omwille van ons. Ook in de verschijning van de Christus moeten we dus de daad van heiliging terugvinden. Zijn hogere natuur, die zich met onze ingezonken natuur verenigt, mag hiermee niet vermengd worden en het dubbele moet dan ook hier plaats grijpen, dat ten eerste het hogere in de Christus van het ingezonkene wordt afgescheiden en dat ten tweede de ons menselijke in Zijn hogere natuur wordt omgezet. Welnu, wat is het kruis en de opstanding van de Heere anders, dan de volkomen doorvoering van deze daad van de "heiliging". "Ik heilig Mijzelf voor hen", sprak de man van smarten immers aan de ingang van Zijn lijdensweg, doelend op Zijn kruis; en wat toont ons dan dat kruis anders dan de volkomen afscheiding door de schrikkelijkste dood, die ooit gestorven werd, van het goddelijke in Christus uit de verdorvenheid van deze aarde? En weer, wat toont de opstanding van Christus anders, dan dat Hij in die afscheiding door de dood ons niet prijs geeft, maar uit de diepten van de dood onze natuur weer opbrengt, nu van alle inzinking bevrijd en geheel doordrongen van Zijn goddelijke heerlijkheid. Eindelijk, ook nadat onze Koning ten hemel voer, is de daad van heiliging in geheel dezelfde dubbele zin doorgegaan. Doorgegaan in die zin, dat de Heer een stuk uit het geheel neemt en dit afzonderlijk stelt en afscheidt, om het te merken met het teken van Zijn heilige naam. Zo heiligt Hij een deel van de mensheid, dat Hij als Zijn gemeente van het overige afscheidt door de doop. En evenzo heiligt Hij de enkele in Zijn gemeente, door hem te roepen tot belijdenis van Zijn naam. In de zichtbare gemeente, met haar doop en belijdenis, wordt dus de lijn van Israël's "heiliging" in de zin van afscheiding volkomen doorgetrokken. Maar ook de andere lijn wordt niet afgebroken. We bedoelen de omzetting van het in zonde geborene in het goddelijke. Want wat is de wederbaring ten leven, wat de heiligmaking anders, dan dat God ons van onszelf afscheidt, inlijft in de Zoon van Zijn liefde en ons leven omzet in het leven, dat van Christus is. Dat Paulus Corinthiërs zich geen wonderheiligen als lezers voorstelde, toont het verloop van zijn brief onmiskenbaar. De belijders van Jezus' naam in Corinthiërs waren wat de gelovigen in de Heer door alle eeuwen zijn geweest, mensen van ons vlees en bloed, in wie de boze lusten van het vlees, met haar jammerlijke nasleep, wel niet meer regeerden, maar toch nog bestonden. De Christenen te Corinthiërs hadden hun zedelijke geloofsstrijd, zoals wij de onze kennen. Het "wij struikelen dagelijks in velen" zou op hun lippen allerminst ongepast zijn geweest. Van een volkomen staat van de heiligheid, in de zin, waarin Amerikaanse en Schotse Christenen dit woord opvatten, is geen spoor in de tekening van hun gemeenteleven te ontdekken. En toch, niettegenstaande die veelzijdige gebrekkigheid, ja, ten spijt van die droevige uitbottingen van de zonde in het jeugdige gemeenteleven, schroomt de apostel niet om de hele gemeente als erfdeel van de Heere toe te spreken en hun toe te roepen: "U bent geheiligd. " Aan het slot van de Openbaring aarentegen roept Jezus zelf de Zijnen toe: dat die onder hen heilig is, nog geheiligd moet worden. Als Paulus aan de gemeente te Efeze schrijft, dat de Zoon van God Zich een gemeente gekocht heeft met Zijn bloed, "opdat Hij haar heiligen zou", of de Thessalonicenzen toebidt, dat "de God van de vrede hen heiligen mag", of eindelijk in 2 Corinthiërs 7:1 schrijft: "voleindigende de heiligmaking in de vrees van God", dan wordt hier "heiligen" blijkbaar telkens in een zin gebruikt, die op nog onvoldoende heiliging doelt. Allerwegen in de Schrift vinden we daarom de dubbele grondgedachte terug, die de Heere zelf als de raadselachtige, maar onmisbare tegenstelling in het kleed van Zijn koninkrijk invlocht: de reiniging volstrekt en nochtans te voltooien. Afdoende hiervoor is wat Jezus bij Zijn rede van de wijnstok sprak. In de vertrouwden kring van Zijn ingewijde jongeren, de innigste tederheid van de levensband, die hen samenbond, in beeldspraak weergevend, stelt Hij door het oog van de jongeren het oude en gewijde, het zo doorzichtige als keurige beeld van de wijnstok en de ranken en stelt nu vlak naast één, zonder de minste overgang, de schijnbaar tegenstrijdige en zo men wanen zou elkaar uitsluitende verklaringen: 1. "Al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat ze meer vrucht draagt en 2. jullie zijn nu rein, om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. " "Gereinigd" dus en desniettemin "nog te reinigen", gezegd van dezelfde jongeren. Die dubbele lijn loopt door geheel Jezus' levensopenbaring in verband met de Zijnen. Het is altijd een eeuwige volkomenheid, die reeds in het heden door het geloof begrepen wordt en toch evenzeer een nog steeds komen van een toekomst, die men beidt. Wil men nog een soortgelijke uitspraak, men denke aan Johannes 13 Ook daar enerzijds de volstrekte verklaring: "Jullie zijn rein" en toch onverzoend daarnaast de schijnbaar geheel strijdige uitroep: "Als Ik u niet was, heeft u geen deel aan Mij. " De Gemeente is geheiligd. Dat wil zeggen, niet alleen de bekeerden in haar midden, - een misvatting, die ten ernstigste moet bestreden worden - maar de Gemeente in haar wording. Niet alle uitverkorenen in de Gemeente zijn reeds ontdekt. Er zijn er, wier vreugdevolle toebrenging nu nog slechts door de Heer wordt voorbereid en pas in volgende jaren een geloofsfeit voor het eigen hart zal zijn. Er kunnen er, naar het eenparig getuigenis van onze Vaderen, onder de leden van de Gemeente zijn, wier geloofsopenbaring steeds voor de Gemeente verborgen blijft en die eerst in het uur van de dood die lichtstraal van de Geest opvangen, die leven uitstort in de dood. Meer nog: er kunnen ongelovigen in de Gemeente zijn, die zelf nooit ten leven komen, maar nochtans in hun lendenen een gelovig zaad dragen, dat de Heere zal worden toegerekend. Kortom, de heilige lijnen, waarlangs de kracht van het genadeverbond zich voortbeweegt, zijn niet in kaart te brengen, kunnen door geen menselijk perk worden aangewezen, blijven steeds een geheimenis van het geestelijke leven en toch alleen door die lijnen wordt de grens van de Gemeente bepaald, die geheiligd is in de Zoon van God. Van die "heiliging" op de verborgen achtergrond van het geestelijke leven, moet haar uitwendige heiliging scherp onderscheiden worden. De Gemeente blijft niet in het verborgen schuilen, maar treedt ook in de wereld op. Hier echter kan haar voltooide heiliging slechts een flauwe afschaduwing vertonen van die andere heiliging, die voltooid is in de diepten van de geest. Zoals men weet, is de Doop van die zichtbare heiliging het teken en daarom belijdt de Gemeente bij dit Sacrament van de Barmhartige Liefde, "dat haar kinderen in Christus geheiligd zijn. " De voorafschaduwing, de voorbeduiding van die Doop zocht de Kerk alle eeuwen door in de Zondvloed en de doorgang door de Rode Zee en zeer ten onrechte heeft een ongeestelijke oppervlakkigheid zich in latere dagen aan de diepe opvatting van het Doopformulier geërgerd, waar het ons met nadruk naar de Godsdaden van de heiliging verwijst. Door het water van de Zondvloed werd het tweede mensdom geheiligd, d. i. werd Noach, als stamvader van de mensheid, na de Zondvloed afgescheiden van het destijds levend ongelovig geslacht. Noach met de zijnen was destijds het goede, zijn tijdgenoten waren het kwade element en God de Heere scheidt door Zijn ontzaglijk gericht dus hier het goede van het kwade af. Evenzo bij de Rode Zee. Egypte's volk, in zijn hovaardige Farao vertegenwoordigd, heeft het tegen God Almachtig op het uiterste gezet. Feller, bewuster woede van zondige onmacht tegen de hoogheid van de Heere dan Farao's worsteling met Mozes ons toont, is op aarde niet gezien. Temidden van dat volk nu leeft Israël. Als volk stug en hardnekkig en allerminst gelovig te noemen, is het toch het volk van de Heere, niet om wat het zelf is, maar om de Messias-zegen, die het in zijn lendenen draagt. Eerst zijn beiden, het volk dat God vijandig is en het volk, dat God Zich heeft uitverkoren, dus met elkaar vermengd. Maar de Heere doet de vermenging ophouden. Hij is het, die Zijn Israël heiligen wil en die daartoe het goede (d. i. hier Zijn Israël) afscheidt en afzondert van de verstokte Farao en zijn godvergeten geslacht. Tussen die beiden, de zondvloed en Israël's uitleiding, lag Abraham's roeping, waarnaar ons Doopformulier even opzettelijk verwijst, als het stichtingsuur van het genadeverbond. Ook nu nog is Abraham ons aller vader, voor zo velen we geloven, zoals hij de vader van Israël was in de dagen van Israël's bloei en glorie. En ook zijn roeping is immers niets dan een "heilige" in geheel dezelfde betekenis, "door een afzonderen en afscheiden van het goede", dat voor Gods aangezicht was, van het kwade, waarin het lag vermengd. Zo ook bij de Gemeente. Ze wordt afgescheiden en afgezonderd van de wereld, de Heere tot een erfdeel. Die afscheiding wegnemen, is feitelijk, voor zoveel van mensen afhangt, haar heiliging vernietigen, mits men slechts in het oog houdt, dat die afscheiding niet als een verbreken van de samenleving in eenzelfde wereld, maar als afscheiding in de diepten van het geestelijke leven is bedoeld. Wat is het goede, dat de Heere in Noach, Abraham en Israël afscheidt? Toch wel niet Noach zelf, of Abraham, of Israël? Alleen terwille van hun geloof werden ze afgescheiden. Wat wil dit zeggen? Hun geloof was de wegwerping van zichzelf, om enig en alleen te leven uit de Messiasbelofte, die hun God hen geschonken had. Hieruit volgt dus, dat het goede, dat werd afgezonderd, wel in schijn de gelovige mensheid, maar feitelijk niets minder dan de Christus zelf was. De Christus is het enige goede in deze zondige wereld en alles gaat ten verderve of ten leven, is slecht of goed, naar gelang het aan die Christus kleeft, of van Hem afgaat, met Hem verbonden is, of van Hem zich verwijdert. Dit nu geldt ook van de Gemeente. Niet om haar zelf wordt de Gemeente als het beter deel van de wereld afgescheiden, maar om de Christus, om Hem uitsluitend, om Hem alleen. Hij is in de wereld ingegaan. Zelfs nu nog in ons vlees verhoogd aan de rechterhand van de Vader, behoort Hij de mensheid toe, leeft Hij haar leven, is Hij met haar in onafgebroken gemeenschap, leeft en woont Hij in haar midden. In de diepste zin is dus alleen de Christus geheiligd, maar, omdat Hij in die mensheid, niet afgescheiden van haar en of zichzelf leven blijft, maar zich uit haar een lichaam vormt, er uit de kinderen van de mensen met Zich vereenzelvigt, in Zich opneemt en in Zijn leven delen doet, - zo is weer in en met en door Hem dat deel van de mensheid geheiligd, (d. i. van het zondig wereldleven afgescheiden), dat met Hem tot eenzelfde plant samengroeit. Werden nu deze enkelen, elk op zichzelf, zonder wederkerig of onderling verband, in Zijn leven opgenomen, dan zouden natuurlijk uitsluitend diegenen geheiligd zijn, die Hij reeds wederbaarde ten leven. Nu dit echter naar Gods raad anders is. Nu de Hem toegebrachte, zij het ook met overspringing van soms twee en drie geslachten, met elkaar in familiebanden van het bloed staan; nu het Zijn wil is, dat de kracht, die Hij in de één werkt, middel tot toebrenging voor de andere zal zijn; nu er dus van enkele, los op zichzelf staande gelovigen geen sprake is, maar de gelovigen aller eeuwen steeds door afkomst, weerzijdse inwerking en gemeenschap met elkaar in onderling verband bleken gesteld te zijn en dus het geheel, waarin Zijn kracht en Geest werkt, wel waarlijk een lichaam, een organisme, een samenhangende levensgemeenschap is, - nu moet als met Christus in verband staande, met Hem afgezonderd en dus geheiligd, dat gehele levensterrein beschouwd worden, waarop Zijn verrijzeniskracht en levensbeheersing zich openbaart. Bij "heiligen" in eerstbedoelde zin, als daad van de afzondering, die de zondaar op de heilige erfenis overbrengt en bij ervaring uit de apostolische belijdenis spreekt: "Wij weten, dat wij uit de dood overgegaan zijn in het leven", is elk verschil over de oorzaak van deze werking dus volstrekt ondenkbaar. De genade kan in al haar gangen, die aan de bewuste bekering voorafgegaan, in geen enkel opzicht op de te bekeren zondaar steunen, tenzij ze zelf ophoudt "genade" te zijn en de mens wel met de naam van zondaar betiteld wordt, maar zonder in de peilloos diepe zin van dit woord werkelijk zondaar te zijn. Op elk ander standpunt kan de bewegende kracht ter redding, ter afzondering en dus ter heiliging, alleen en uitsluitend uitgaan van God. Geheel anders daarentegen wordt de vraag, als men niet met de nog te bekeren zondaar, maar met de bekeerde Christen rekent en dus "heiligen" bedoelt in de tweede zin, als voortgezette daad, waardoor het zondige van de Christen wordt afgescheiden. Niet hij van de wereld, maar de wereld van hem. Wordt hij door de "heiliging" in eerstvermelde betekenis afgescheiden van de wereld en overgebracht op het terrein van Gods Koninkrijk, toch is hiermee de zonde hem nog niet uitgeschud, de besmetting van het vlees en van de geest nog niet van hem genomen en moet daarom op deze eerste daad van God een tweede "heiligen" volgen, dat rusteloos al zijn levensdagen voortgaat, om pas in de dood voleind te worden en niet zijn afscheiding van de zonde, maar de afscheiding van de zonde van zijn persoonlijkheid bedoelt. In die geest zegt de apostel: "Laat ons de heiligmaking in de vrees van God voleinden, door onszelf van alle besmetting van de geest te reinigen. " Scherp wordt hierbij in het oog gehouden, dat dit tweede "heiligen" wel kenteken, maar nooit grond van de zaligheid is. De man, die gisteren door de Vader van alle barmhartigheid "geheiligd", reeds heden uit dit leven wordt afgeroepen en bij wie van het tweede "heiligen" dus geen sprake zijn kon, is van zijn toeleiding en van zijn erfenis met even volstrekte zekerheid bewust, als die andere, wie na het uur van zijn wonderbare roeping nog de helft van een eeuw in strijd en worsteling werd toebeschikt. Niet dus voor de zaligheid, maar alleen voor de echtheid en waarachtigheid van de toebrenging is deze tweede "heiliging" beslissend. Gevolg en uitvloeisel van het eerste "heiligen", moet ze dit op de voet volgen, voor het bewustzijn waarborgen en in zijn scheidende en gistende kracht tot prijs van de driemaal Heilige openbaren. Juist echter omdat het voorwerp van deze tweede heiliging niet de onbekeerde zondaar, maar de reeds geroepene tot het kindschap van God is, mag de mens hierbij niet meer als tegen de Heere overstaande, maar moet hij als met Hem verenigd gedacht worden; vervalt dus de volstrekte scheiding tussen Gods werk en zijn eigen levensbeweging en kan de apostel van Christus daarom de gemeente van de gelovigen in van deze voege toespreken, niet: bid dat u geheiligd worden mag, maar: "laat ons onszelf reinigen, voleindigende de heiligmaking in de vrees van God. " Slechts tegen één misverstand zij men hierbij op zijn hoede. Al is het onbetwistbaar, dat de bekering een voldongen feit is na het uur van de wedergeboorte, toch is de bekeerde zelf zich dit niet voortdurend bewust. Ook al belijdt hij, "dat daarom de Zoon van God verlaten werd van de Vader, opdat wij nimmermeer zouden verlaten worden", toch kan hij dit besef van verlatenheid niet altijd van zich weren en is het overwinnen van dit zelfverterend besef voor zijn bewustzijn als een nieuwe bekering. Ook al staat het vast, dat de hand, die hem greep, hem geen ogenblik loslaat, toch kan zijn ziel door een droeve somberheid, door een bang onzeker overgoten worden, waarin het hem is alsof hij werkelijk in de dood teruggezonken was. Deze afwisseling, deze gestadige slingering in zijn bewustzijn brengt noodwendig ook de horizon van zijn bekering in gestadige trilling en het dunkt hem, alsof een van God afgaan en tot God wederkomen de eindeloze schommeling van zijn leven was. Hieraan ontleent de vermaning haar betrekkelijk recht, dat de bekering nooit voldongen is, maar steeds vernieuwd moet worden, mits men nooit vergeet dat dit uitsluitend voor ons bewustzijn en nooit in de diepten van het leven bij onze God geldt. Nu gebeurt het niet zelden dat men, deze verschillende feiten van het Christelijke leven verwarrend, als deel van de heiligmaking beschouwt, wat in van de waarheid niets anders is dan het weeropleven van het bekeringsbesef voor ons bewustzijn. Hiertegen echter moet gewaakt! Immers, de strijd, waarin we het gevoel van verlatenheid te boven komen, behoort uitsluitend tot het gebied van de eerste heiliging en is een daad van God, in tegenstelling met de beweging van ons zondig hart. Na het doorleven van zo'n sombere uur zegt ons hart ons onveranderlijk, dat het een zich opnieuw neerbuigen tot ons was van de ontferming van onze God. Begaat men nu de fout van deze hoog-ernstige zielservaring met het werk van de heiligmaking te verwarren, dan ontstaat onwillekeurig de onware indruk, alsof we ook bij de heiligmaking ons de zondaar denken moesten als vijandig staande tegenover God. Wacht men zich daarentegen voor die misvatting, omschrijft en beperkt men de heiligmaking nauwkeurig tot haar eigen gebied, zondert men van haar af, wat niet tot haar behoort en erkent men, naar de leuze van onze vaderen, dat ze een gave is, die uitsluitend de bondgenoten toekomt, d. w. z. dat van heiligmaking uitsluitend bij de bekeerde, voor zover hij zich van zijn toebrenging bewust is, sprake kan zijn, dan springt de ongerijmdheid van deze tegenstelling te helder in het oog, om ontkend of voorbijgezien te kunnen worden. Wie met Paulus uit de diepste en innigste ervaring van de ziel getuigen kan: "niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij", wie één plant met de Heere geworden is, als rank op de wijnstok werd ingelijfd en een levend lidmaat in het mystieke lichaam van de Heere werd, kan in deze hoedanigheid niet meer in tegenstelling met de Heilige gedacht "orden, tenzij men de mogelijkheid van een tegenstelling aanneemt tussen de Vader en de Zoon. Hebben we ons dus aan deze regel te houden, dat er, voor zover wij niet in het mystieke lichaam van Christus staan, geen sprake is van heiligmaking en evenzo, dat bij vereniging met de Christus alle tegenstelling met de Eeuwige wegvalt, dan volgt hieruit, dat de vraag: Wie werkt de heiligmaking? God of de mens? Reeds als vraag moet verworpen worden en naar luid de Schrift nooit uitsluitend noch in de éne noch in de andere zin mag worden beantwoord. Men heeft niet zelden gesproken van een "godmenselijk" leven. Hoe bedenkelijk die uitdrukking ook zijn moge, toch heeft ze ter verklaring van deze innige dooreenwerking een betrekkelijk recht. Goed te keuren is deze uitdrukking "godmenselijk" tenzij dan waar van de Christus in zijn verborgen wezenheid sprake is, zeker niet. Hij alleen is de "Godmens", omdat Hij van de goddelijke en van de menselijke natuur beiden in volle omvang en ongebroken eenheid deelachtig is. Die Hem toebehoren, herbaart Hij niet tot "Godmensen", maar tot "mensen", mits dit woord wordt opgevat in de hoogheerlijke betekenis, die het naar de eeuwige raad van de Schepper heeft. Nu zijn we onder het "menselijke" verzonken. Hij, de Christus is de enige, die na Adams zondeval de waarachtige menselijke natuur in haar volle ontplooiing getoond heeft. Ons uit onze vernedering daartoe op te heffen, is het doel van Zijn herstellende genade. De betrekking, waarin deze herstellende natuur van de mensen tot de Schepper treedt, mag niet met de naam van "Godmens", maar moet met die van "kinderen van God" bestempeld worden. En toch kan aan deze zegswijze van "godmenselijke levensontwikkeling", ter toelichting van een diepzinnige waarheid, een betrekkelijk recht niet ontzegd worden. Gewoon als we zijn, om bij het noemen van de naam "mens" aan de zondaar in zijn diepe vezonkenheid te denken, valt het ons moeilijk, bij de bespreking van het "nieuwe schepsel", ons dit in zijn ware heerlijkheid voor te stellen, zo we hiervoor geen hogere uitdrukking gebruiken dan van "waarachtig mens. " De Schrift zelf komt ons hierin te hulp, door van "gelijkvormigheid aan de Zoon" te spreken en ook wij gaan dus veiligst, als we ons deze nieuwe betrekking geen ogenblik gescheiden denken van onze vereniging met de Christus. De mens vóór de zondeval was één met zijn Schepper. Wel van Hem onderscheiden in wezenheid en deugden, maar toch geen ogenblik in bewuste tegenstelling met Hem. Met het eerste bewust worden van deze tegenstelling was de zonde reeds geschied en dus een geheel nieuwe toestand ingetreden, waarin de daad van God en van de mensen in elk opzicht lijnrecht tegenover elkaar stonden. Deze toestand nu heft de Christus door de daad van Zijn barmhartigheid op. In de toestand, waarin Hij de Zijnen plaatst, valt dus de tegenstelling weer weg en keert terug wat in Eden verloren ging. Echter niet volkomen. Pas als in de voleinding aller dingen, als de Zoon het Koninkrijk de Vader zal hebben overgegeven, opdat God zij alles in allen, zal de herstelling volkomen zijn. Tot zolang blijft de nieuw ingetreden toestand aan de Christus, aan de Godmens gebonden, is ze alleen door Hem werkend, kan ze alleen in samenhang met Hem gedacht worden en het is deze schakel in het heilsleven, die door de uitdrukking "Godmenselijk" misschien het best en klaarst wordt weergegeven. "Niet ik, maar Christus in mij. "
C. Vers 2-Hoofdstuk 13:10. Het tweede deel, dat nu volgt, is niet onmiddellijk een voortzetting van het eerste deel. Het opent dadelijk in de begin-verzen voor hetgeen nu behandeld zal worden zulke gezichtspunten, die de apostel zonder twijfel eerst zijn duidelijk geworden door berichten over de staat van zaken te Corinthiërs, pas na het schrijven van het vorige ontvangen (vgl. Hoofdstuk 1:2). Deze waren nodig om weer terug te komen op iets, dat reeds was behandeld, om het ook nog in een ander opzicht uiteen te zetten en aan de andere kant geven zij aanleiding tot een bijzondere en uitvoerige behandeling van die zaak, die tot hiertoe nog volstrekt niet had kunnen worden aangevoerd. Door wie Paulus die nieuwe berichten ontving, zegt hij ook aan het begin, als hij melding maakt van de terugkomt van Titus, waarvan hij in Hoofdstuk 2:12 v. slechts kon meedelen, dat hij hem te Troas niet had gevonden en daarom de verdere reis naar Macedonië besneld had. De berichten zijn van die aard, dat hij nu dadelijk van de gemeente afzondert zijn tegenstanders, als een deel, dat niet meer bij het geheel kan worden gerekend, om ze open te bestrijden en in het openbaar te beschamen, hetgeen hij tot hiertoe nog niet had gedaan.
I. Vers 2-Hoofdstuk 9:15. De apostel ontkent eerst de drie beschuldigingen, die zijn vijanden te Corinthiërs hadden uitgesproken en waardoor zij, volgens de mededelingen door Titus hem gegeven, bij de gemeente wantrouwen probeerden op te wekken tegen zijn oprechtheid en onbaatzuchtigheid. Vervolgens zoekt de apostel de Corinthiërs, voor zo verre zij nog niet tot zijn besliste tegenstanders behoorden, maar in hun hart tussen de beide partijen wankelden, zodat zij de lasteraars wel niet volkomen geloofden, maar hem toch ook niet tegen deze in bescherming namen en ze met ernst de mond stopten, door een behandeling even getrouw als teder, aan zijn kant te trekken. Hij probeert hen te bewegen om zich in liefde en vertrouwen met hem te verenigen. Nadat hij hen dan zo aan de vijanden, naar wier kant zij overhelden, weer ontrukt heeft, ontleent hij aan die beschuldigingen het thema voor de drie onderdelen van deze afdeling op die wijze, dat hij de eerste en tweede beschuldiging dadelijk opeens teniet doet, door nog eens te spreken over de zaak van de bloedschender en aan de derde beschuldiging door een tweevoudige bepreking van de collectezaak alle grond ontneemt.
a. Vers 2-16. Na de inleiding op de drie onderdelen van onze afdeling, waarover reeds gesproken is (Vers 2-7) volgt het weer opvatten van de zaak van tucht, die de apostel in 1 Corinthiërs 5 behandelde en die ook reeds op een volkomen bevredigende wijze ten einde was gebracht. Paulus verheugt zich over de uitwerking, die hetgeen hij in de vorige brief daarover had geschreven, uitgewerkt had en waardoor het doel van zijn schrijven in ieder opzicht bereikt was (Vers 8-12). Hij voelt zich volkomen gerustgesteld ook over de Corinthiërs, die het vertrouwen, dat hij tegenover Timotheus in hen gesteld had, geheel hadden gerechtvaardigd en zoals nu deze hun nog veel meer dan vroeger toegenegen is, zo belooft hij ook zelf zich alles goeds van hun toekomst (vs 13-16).