1 Samuël 25:2-11
Hier begint de geschiedenis van Nabal.
I. Er wordt ons een kort bericht van hem gegeven: wie en wat hij was, vers 2, 3. Een man, van wie wij nooit gehoord zouden hebben, indien hij niet voor een ogenblik in aanraking was gekomen met David.
Merk op:
1. Zijn naam: Nabal, een dwaas, dat is er de betekenis van. Het was een wonder, dat zijn ouders hem die naam gegeven hebben het was een slecht voorteken van wat zijn aard en karakter zou blijken te wezen. Maar eigenlijk verdienen wij allen aldus genoemd te worden, als wij in de wereld komen, want de mens is als het veulen eens woudezels geboren en de dwaasheid is in het hart des jongen gebonden.
2. Zijn geslacht: hij was een Kalebiet, maar hij was van een anderen geest dan zijn voorvader Kaleb, wiens bezitting hij erfde, want Maon en Karmel lagen nabij Hebron, dat aan Kaleb gegeven werd, Jozua 15:54, 55, 14:14 maar hij heeft alles behalve zijn deugden geërfd. Hij was een schandvlek voor zijn geslacht, en toen was zijn geslacht dus geen eer voor hem. "Degeneranti genus opprobrium-Een goede afkomst is een smaad voor hem, die er van ontaardt".
De LXX en sommige andere oude overzettingen lezen het als een soortnaam, niet: hij was een Kalebiet, maar hij was een honds man, nors en bits, altijd snauwende en grommende. Hij was "anthropos kunikos", een cynisch man.
3. Zijn rijkdom. Hij was zeer groot, dat is: zeer rijk, want rijkdom geeft een groot aanzien aan de mensen in de ogen van de wereld, maar anders had hij voor iemand, die naar een juiste maatstaf oordeelt, een zeer min aanzien. Rijkdommen zijn gewone zegeningen, die God dikwijls aan Nabals geeft, aan wie Hij noch wijsheid, noch genade schenkt.
4. Zijn vrouw: Abigail, een vrouw van groot verstand. Haar naam betekent: de vreugde haar vaders, maar hij kon zich toch niet veel vreugde van haar beloven, toen hij haar aan zo'n man heeft uitgehuwelijkt, meer vragende naar zijn rijkdom, dan naar zijn wijsheid.
Menig kind wordt weggeworpen op de grote hoop van het slijk van wereldse rijkdom daaraan gehuwd, maar aan niets anders dat begeerlijk is. Wijsheid is goed meteen erfdeel, maar een erfdeel is tot weinig nut zonder wijsheid.
Menige Abigail is gebonden aan een Nabal, en indien dit zo is, dan zal haar verstand, al is het ook evenals dat van Abigail nog zo groot, nog klein genoeg zijn naar verhouding van wat zij nodig heeft.
5. Zijn karakter. Hij had geen besef van eerlijkheid of van rechtschapenheid, niet van eer, want hij was lomp, nors en hard, niet van rechtschapenheid, want hij was wreef en een verdrukker, een man, die voor geen geweld of bedrog terugdeinsde om maar rijkdom te verkrijgen en te behouden. Dat is het karakter van Nabal, zoals het aangeduid is door Hem, die weet wat in alle mensen is. II. Davids nederig verzoek aan hem, dat hij hem enige levensmiddelen zal zenden voor zich en zijn mannen.
1. David schijnt toen in zo grote verlegenheid geweest te zijn, dat hij graag op die wijze verplichting aan hem wilde hebben: feitelijk kwam hij dan ook bij hem bedelen. Hoe weinig reden hebben wij om zoveel waarde te hechten aan de rijkdom van deze wereld als zo'n vrek als Nabal was overvloed heeft, en zo groot een heilige als David was gebrek lijdt!
Eenmaal tevoren hebben wij David ook brood zien bedelen, maar toen was het bij Achimelech, de hogepriester, voor wie te buigen geen vernedering is.
Maar om aan een man als Nabal een verzoek om onderstand te doen, dat was iets, waartoe een man van Davids karakter niet de node komen kon, maar als Gods voorzienigheid hem in die verlegenheid brengt, dan zal hij niet zeggen:
te bedelen schaam ik mij. Zie echter Psalm 37:25.
2. Hij koos een geschikte tijd om die boodschap tot Nabal te zenden, toen hij vele mannen om zich heen had voor het scheren van zijn schapen, daar hij voor hun onderhoud had te zorgen, en er dus goed gegeten en gedronken werd.
Had hij op een andere tijd gezonden Nabal zou voorgewend hebben dat hij niets in huis had, maar nu kon hij met die verontschuldiging niet aankomen. De gewoonte bracht mee om bij gelegenheid van het scheren van de schapen grote maaltijden aan te richten, zoals blijkt uit Absaloms feestmaal bij die gelegenheid 2 Samuël 13:24, want wol was een van de voornaamste koopwaren van Kanaän.
3. David beval zijn mannen om hun boodschap met de grootst-mogelijke beleefdheid en eerbied over te brengen, "Gaat op naar Karmel, en als gij tot Nabal komt, zo zult gij hem in mijn naam naar den welstand vragen. Zegt hem dat ik u zond om hem mijn diensten aan te bieden," vers 5.
Hij legt de woorden in hun mond, vers 6. En zult alzo zult zeggen tot dien welvarende, ( onze vertalers hebben er bijgevoegd: in voorspoed) alsof diegenen waarlijk leven, die leven zoals Nabal geleefd heeft, met overvloed van rijkdom om hen ineen, terwijl in werkelijkheid zij, die "hun wellust volgen, levende gestorven zijn". 1 Timotheus 5:6. Het was, dunkt mij, een al te grote beleefdheid aan Nabal betoond om hem de man te noemen die leeft.
David kende betere dingen, hij wist dat in Gods gunst leven is, niet in de glimlachjes van de wereld, en in het ruwe antwoord dat hij kreeg, had hij het verdiende loon voor zijn al te strelende toespraak tot zo'n vrek. Maar zijn goede wensen waren prijzenswaardig: Vrede zij u, alle goed voor ziel en lichaam, en uw huize zij vrede, en alles wat gij hebt zij vrede!.
Zegt hem dat ik hem alles goeds toewens voor zijn gezondheid en voorspoed." Hij zegt hun hem uw zoon David te noemen, vers 8, te kennen gevende dat David hem wegens zijn leeftijd en vermogen eerde als een vader, en daarom hoopte enige vaderlijke vriendelijkheid van hem te ontvangen. 4. Hij wees op de vriendelijkheid, die aan Nabals herders door David en zijn mannen bewezen was, en de ene dienst is de anderer waard.
Hij beroept zich op Nabals eigen dienstknechten, en toont aan dat toen Davids krijgslieden bij Nabals schaapherders gelegerd waren:
a. Zij hun geen leed of overlast hebben aangedaan, geen schrik voor hen zijn geweest, geen lam van hun kudden hebben weggenomen. In aanmerking genomen het karakter en de hoedanigheid van Davids mannen -het waren die benauwd waren, een schuldeiser hadden, en wier ziel bitterlijk bedroefd was-in aanmerking genomen ook de schaarste van levensmiddelen in zijn kamp was het niet zonder veel zorg en beleid, dat zij weerhouden werden van te plunderen.
b. Zij beschermden hen tegen kwaad, dat anderen hun aangedaan zouden hebben. David zelf geeft dit niet te kennen, want hij wilde niet roemen op zijn goede diensten: zij hebben ook niets gemist al de dagen, die zij te Karmel geweest zijn vers 7.
Maar Nabals dienstknechten, op wie hij zich beriep, gingen verder, vers 16. Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag.
Davids krijgslieden waren een wacht voor Nabals schaapherders, toen de benden van de Filistijnen de schuren beroofden, Hoofdstuk 23:1, en ook de schaapskooien zouden beroofd hebben.
Tegen deze plunderaars werden zij door Davids zorg beschermd, en daarom: laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen. Zij, die vriendelijkheid betonen, kunnen met recht verwachten vriendelijkheid te ontvangen.
5. Zijn verzoek was zeer bescheiden. Hoewel David tot koning was gezalfd, verlangt hij geen koninklijke lekkernijen, maar, geef hetgeen uw hand vinden zal, en wij zullen er dankbaar voor zijn.
Die iets vraagt moet niet kieskeurig zijn. Zij, die het waard waren het eerst bediend te worden, zullen nu blijde zijn met het overgeschotene. Zij pleiten: want wij zijn op een goeden dag gekomen, een feestdag, wanneer de voorraad niet slechts groter is, maar ook hart en hand meer open zijn, meer bereidwillig om mee te delen dan op andere tijden, en dus veel gegeven kan worden zonder dat het gemist wordt.
Hij eist het niet als een verschuldigd recht, hetzij bij wijze van schatting daar hij een koning was, of bij wijze van brandschatting daar hij een krijgsoverste was, maar als een gave aan een vriend, die zijn onderdanige dienaar was.
Davids knechten hebben zijn boodschap getrouw overgebracht, niet twijfelende of zij zullen beladen met een goede voorraad van levensmiddelen tot David terugkeren.
III. Op dit bescheiden verzoek zendt Nabal een nors antwoord, vers 10, 11. Men zou zich niet kunnen voorstellen dat iemand zo ruw en lomp kon zijn als Nabal was, of zo slecht van aard. David noemde zich zijn zoon, en vroeg om brood en een vis, en inplaats daarvan gaf hij hem een steen en een schorpioen weigerde hij het hem niet alleen, maar mishandelde hem in woorden.
Indien hij het niet voegzaam had geacht om hem levensmiddelen te geven uit vrees voor Achimelechs lot, die zijn vriendelijkheid voor David zwaar heeft moeten boeten, zou hij hem toch een beleefd antwoord hebben kunnen geven, en de weigering even bescheiden hebben kunnen inkleden als het verzoek was.
Maar inplaats hiervan vaart hij uit in drift en woede, zoals gierige mensen licht hiertoe geneigd zijn als hun iets gevraagd wordt, denkende aldus de ene zonde met een andere te kunnen bedekken, en door de armen uit te schelden zich te verontschuldigen van hun te hulp te komen. Maar God zal zich niet aldus laten bespotten.
1. Hij spreekt minachtend van David als van een onbeduidend man, van wie men geen notitie behoeft te nemen. De Filistijnen konden van hem zeggen: Dit is David, de koning des lands, die zijn tienduizenden verslagen heeft, Hoofdstuk 21:11, maar Nabal zijn naaste buurman en met hem van dezelfde stam, durft zeggen, dat hij hem niet kent of, hem niet kent als een man van verdienste, Wie is David en wie is de zoon van Isai?
Het kon hem niet onbekend wezen, hoezeer het land hem verplicht was voor zijn openbare diensten, maar in zijn enghartigheid denkt hij er niet aan iets van die schuld aan hem te betalen, of zelfs haar te erkennen. Hij spreekt van David als van een onbeduidend, onbekend man, op wie geen echt behoefde geslagen te worden. Acht het niet vreemd als grote mannen en grote verdiensten aldus geminacht worden.
2. Hij verwijt hem zijn tegenwoordige verlegenheid, en neemt er aanleiding uit om hem voor te stellen als een slecht man, meer geschikt om in de stok te worden gezet als een landloper, dan om zich enigerlei vriendelijkheid bewezen te zien. Hoe natuurlijk gaat hem de lompe boerse taal af van de gierigaard, die het haat om iemand een aalmoes te geven! Er zijn heden vele knechten (alsof in vroegere dagen geen zodanigen waren), die zich afscheuren, elk van zijn heer, te kennen gevende dat David zelf een van deze was.
Hij had bij zijn meester Saul kunnen blijven, dan zou hij het niet nodig gehad hebben mij om levensmiddelen te vragen.
Ook dat hij vluchtelingen, zoals hij zelf er een was, ontving en bij zich hield. Het zou iemands bloed doen koken, om zo groot en goed een man als David was aldus te horen beschimpen en smaden door zo'n lage vrek als Nabal was, "want een dwaas spreekt dwaasheid", Jesaja 32:6,.
Indien mensen door hun eigen dwaasheid in benauwdheid en ellende komen, dan moet men zich toch over hen ontfermen en hen helpen maar hen niet vertrappen en laten verhongeren. Maar David is niet door eigen schuld in moeilijkheid gekomen, neen, niet door eigen onvoorzichtigheid, maar zuiver en alleen door de goede diensten, die hij zijn land had bewezen, en de eer, die hem door God werd aangedaan, en toch wordt hij nu voorgesteld als een afvallige, weggelopen knecht. Laat dit ons helpen om zulke smaadheden en verkeerde voorstellingen met geduld en blijmoedigheid te dragen, en er rustig onder te zijn, dat dit dikwijls het lot is geweest van de uitnemendsten van de aarde. Sommigen van de beste mensen, met wie de aarde ooit gezegend en bevoorrecht werd, zijn als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel beschouwd en behandeld geworden, 1 Corinthiers 4:13.
3. Hij legt er sterk de nadruk op, dat de spijzen op zijn tafel zijn eigendom zijn, en hij zal er niemand in laten delen. "Het is mijn brood en mijn vlees, ja, en ook mijn water," (hoewel "usus communie aquarum -water ieders eigendom is,") en het is bereid voor mijn scheerders," er zich op verhovaardigende dat het alles van hem was.
Wie ontkende het? Wie poogde zijn recht er op te betwisten? Maar dit, denkt hij, zal hem rechtvaardigen in het alles voor zich te houden, en aan David niets te geven, immers, mag hij met het zijne niet doen wat hij wil?
Maar wij dwalen, als wij denken dat wij volstrekt heren en meesters zijn over hetgeen wij hebben, en er mee mogen doen wat ons behaagt. Neen, wij zijn slechts rentmeesters, en moeten het gebruiken zoals ons gezegd wordt het te gebruiken, gedenkende dat het niet het onze is, maar diens, die het ons toevertrouwd heeft.
De goederen van deze wereld zijn "ta allotria", volgens Lukas 16:12 zij zijn van een ander, en wij moeten er niet ai te veel van praten, dat zij van ons zijn.