1 Samuël 25:12-17
I. Hier is het rapport, dat aan David gedaan werd van de boze bejegening, die zijn boden van Nabal hadden ontvangen, vers 12, Toen keerden zich de jongelingen van David naar hun weg.
Zij toonden hun misnoegen, zoals het hun betaamde, door zich plotseling van zo'n lompe vrek af te wenden, maar wijselijk hebben zij zich genoeg beheerst om geen schelden voor schelden te vergelden of hem bij de naam te noemen, die hij verkende, en nog veel minder om met geweld te nemen, wat hun naar recht gegeven had moeten worden, maar zij kwamen en boodschapten het aan David-laat hem doen wat hij gepast oordeelt.
Christus' dienstknechten moeten, als zij aldus mishandeld worden, het aan Hem overlaten om voor hun zaak op te komen. De dienstknecht zei aan zijn heer welke beledigingen hem werden aangedaan, maar heeft ze niet zelf gewroken, Lukas 14:21.
II. Davids haastig besluit op dit bericht. Hij gordde zijn zwaard aan, en beval zijn mannen ten getale van vier honderd, hetzelfde te doen, vers 21.
En wat hij zei wordt ons meegedeeld in vers 21, 22.
1. Het berouwde hem van de vriendelijkheid, die hij Nabal had betoond, en hij vindt dat zij aan hem weggeworpen was: ik heb tevergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft.
Ik dacht hem aan mij verplichtte hebben en hem tot mijn vriend te hebben gemaakt, maar ik zie dat het tevergeefs is. Hij heeft geen besef van dankbaarheid, hij is niet instaat de indruk te ontvangen dat hem goede diensten bewezen zijn, want anders zou hij mij zo niet behandeld hebben: hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.
Maar als wij zulke vergelding ontvangen, dan moet het ons toch niet berouwen van het goede, dat wij gedaan hebben, noch doen vertragen om het nogmaals te doen. God is goedertieren over de slechten en ondankbaren, en waarom zouden wij het dan niet zijn?
2. Hij besloot om Nabal met alles wat hem toebehoorde te verdelgen vers 22. Hierin bleef David zich niet gelijk. Zijn besluit was wreed en bloeddorstig om al wat mannelijk was van Nabals huis om te brengen, niemand, man noch kind, van het mannelijk geslacht te sparen.
De bevestiging van zijn besluit geschiedde in drift. Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, (hij was op het punt van te zeggen:
Zo doe mij God, maar dat paste beter in Sauls mond, Hoofdstuk 14:44, dan in die van David, en daarom heeft hij die vervloeking van zich afgewend, en zei hij slechts: zo doe God aan de vijanden van David.
Is dit uw stem, o David? Kan de man naar Gods hart aldus iets onbedachtelijk voortbrengen met zijn lippen? Is hij zo lang in de school van de beproeving en des tegenspoeds geweest, waar hij geduld en lankmoedigheid had moeten leren, en kan hij nu toch zo driftig en hartstochtelijk zijn? Is hij dit, die stom en doof placht te zijn, als hij gesmaad werd? Psalm 38:14, die nog slechts kort tevoren de vijand gespaard heeft die hem naar het leven stond, en nu niets wil sparen van hetgeen behoorde aan de man, die slechts zijn boden heeft beledigd?
Hij, die anders zo kalm en bedachtzaam was, is nu door enige harde woorden zo in drift en toorn ontstoken, dat zij door niets anders verzoend kunnen worden dan door het bloed van een gehele familie.
Heere, wat is de mens! Wat zijn de beste van de mensen, als God hen aan henzelf overlaat, opdat zij zullen weten wat er in hun hart is! Van Saul verwachtte David kwaad en belediging, daarop was hij voorbereid en daartegen was hij op zijn hoede, en zo kon hij zich in toom houden, maar van Nabal verwachtte hij vriendelijkheid, en daarom was de belediging, die hij van hem ontving, een onaangename verrassing, die hem overviel zodat hij niet op zijn hoede was tegen die plotselingen aanval, en dit bracht zijn gemoed in die wanorde. Hoe nodig is het ons te bidden: Heere, leid ons niet in verzoeking.
III. Het bericht dat door een van de dienstknechten, die nadenkender was dan de anderen, hiervan gegeven werd aan Abigail, vers 14.
Had deze dienstknecht tot Nabal gesproken en hem het gevaar getoond, waaraan hij zich door zijn lompheid had blootgesteld, hij zou gezegd hebben: "knechten zijn heden ten dage zo brutaal en zo geneigd om hun heren voor te schrijven wat zij doen of laten moeten, dat zij ondraaglijk zijn geworden," en hem misschien wel de deur uitgezet hebben.
Maar Abigail, een vrouw zijnde van verstand, nam kennis van de zaak, liet zich inlichten, zelfs door een dienstknecht, die aan David recht liet wedervaren door hem en zijn mannen te loven voor hun vriendelijkheid jegens Nabals herders, vers 15,16.
"De mannen zijn zeer goed voor ons geweest en hoewel zij zelf aan gevaar waren blootgesteld, hebben zij ons toch beschermd, Zij zijn een muur om ons geweest."
Zij, die goed doen zullen er op de een of andere wijze de lof voor ontvangen. Nabals eigen dienstknecht zal van David getuigen, dat hij een man van eer is, nauwgezet van geweten, wat Nabal zelf ook van hem zeggen moge. En:
1. Hij deed Nabal geen onrecht door hem te veroordelen wegens zijn lompheid jegens Davids boden. maar hij is tegen hen uitgevaren, vers 14.
"Hij is hen aangevlogen" -dat is de betekenis van het oorspronkelijke woord-met onuitstaanbare woede, want dat is zo zijn gewoonte, hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken, vers 17, hij is zo onhandelbaar, dat men hem niet kan aanspreken of hij wordt woedend.
2. Hij heeft aan Abigail en het gehele gezin een grote vriendelijkheid bewezen, door haar te doen beseffen wat daar waarschijnlijk de gevolgen van zullen zijn. Hij kende David zo goed, dat hij reden had te denken dat de belediging hem grotelijks zou vertoornen, en misschien had hij al bericht gekregen dat David zijn mannen bevolen had die kant op te gaan, want hij weet zeker dat het kwaad is ten volle over onzen heer besloten, en over zijn ganse huis, hij zelf onder de overigen zal er in betrokken zijn.
Daarom wenst hij dat zijn meesteres zal overwegen wat er voor hun aller behoud gedaan kon worden. Aan de krijgsmacht, die David tegen hen aanvoerde, zouden zij niet bij machte zijn weerstand te bieden, en de tijd ontbrak hun om naar Saul te zenden, ten einde zijn bescherming in te roepen. Er moest dus iets gedaan worden om David te bevredigen.