1 Koningen 20:22-30
Wij hebben hier een bericht van nog een voorspoedige veldtocht, door Achab met hulp van God tegen de Syriërs volbracht, en waarin hij hun nog een grotere nederlaag toebracht dan de vorige keer. Vreemd! Achab is afgodisch, en toch overwinnaar, een vervolger, en toch een overwinnaar! God heeft er wijze en heilige doeleinden mee als Hij goddeloze mensen voorspoedig laat zijn, en Hij verheerlijkt er Zijn naam in.
I. Achab wordt door een profeet vermaand om zich op nog een oorlog voor te bereiden, vers 22. Hij scheen nu gerust te zijn, en zag weinig ver voor zich uit. Zij, die zorgeloos zijn omtrent hun ziel, zijn dikwijls ook even zorgeloos omtrent hun uitwendige omstandigheden, maar de profeet (aan wie God de volgende beraadslagingen van de Syriërs bekendmaakte) zei hem dat zij de poging zullen hernieuwen bij de komst van het jaar, in de hoop om hun verloren eer te herwinnen en de ondergane nederlaag te zullen wreken. Hij zei hem dus zich te versterken, zich in staat van verdediging te stellen, en zich te bereiden om hun een warm onthaal te geven. God had in Zijn raad de uitkomst, het doel vastgesteld, maar Achab moet de middelen gebruiken, want anders verzoekt hij God. "Help uzelf, versterk u, en God zal u helpen, u versterken." De vijanden van Gods Israël zijn rusteloos in hun kwaadwilligheid, en hoewel zij een weinig tijd nemen om adem te scheppen, blazen zij toch dreiging en moord tegen de kerk. Wij moeten altijd op aanvallen bedacht zijn van onze geestelijke vijanden, en dus zien wat wij doen moeten.
II. Aan Benhadad wordt door zijn omgeving aangeraden welke maatregelen hij moest nemen voor de volgende veldtocht.
1. Zij raadden hem aan om een ander terrein als slagveld te kiezen, vers 23. Zij nemen aan dat het niet Israël, maar Israëls God was, die hen verslagen heeft (zo sterk was in die tijd het algemene geloof in onzichtbare machten) maar zij spreken met grote onwetendheid van JHWH-dat Hij velen was terwijl Hij toch Één is, en Zijn naam één is-,dat Hij alleen maar hun God was, een lokale godheid, bijzonder eigen aan die natie, terwijl Hij toch de Schepper en Regeerder is van geheel de wereld-en dat Hij slechts een god is van de bergen omdat David, hun grote profeet, gezegd had "Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal," Psalm 121:1, :"en Zijn grondslag is op de bergen van de heiligheid," Psalm 87:1, Psalm 78:54 en zeer veel was gesproken van "Zijn heilige berg," Psalm 15:1, Psalm 24:3, denkende dat Hij ten enenmale was gelijk hun ingebeelde godheden. Zij verbeeldden zich dat Hij aan Zijn bergen gebonden was, er niet kon of niet wilde van afkomen, daarom zou een leger in de vlakte beneden Zijn kennisneming zijn, niet onder Zijn bescherming wezen. Zo verijdeld waren de heidenen in hun overleggingen ten aanzien van God, zozeer was hun onverstandig hart verduisterd, en zijn zij, zich uitgevende voor wijzen, dwaas geworden.
2. Zij raden hem aan andere officieren te nemen, vers 24, 25, niet de koningen te gebruiken, die bevelhebbers waren van geboorte maar veeleer kapiteins die bevelhebbers waren door verdienste, gewend waren aan de strijd, geen staatsie wilden voeren als koningen, maar de zaken zouden behartigen. Laat ieder man gebruikt worden voor hetgeen, waartoe hij is opgeleid en waaraan hij gewoon is, en bevorderd worden tot hetgeen waartoe hij geschikt en bekwaam is. Syrië scheen rijk en volkrijk te zijn, daar het na zo'n nederlaag nog voldoende recruten kon opleveren, paarden als die paarden, en wagens als die wagens. III. Beide legers trekken te velde. Benhadad met zijn Syriërs legert zich bij Afek in de stam van Aser, een stad, die waarschijnlijk in zijn bezit was, een van die welke zijn vader genomen had, vers 34, met het omliggende land, dat vlak en effen was, en geschikt voor zijn doel, vers 26. Achab en zijn krijgsmacht stelden zich op enige afstand tegenover hen op, vers 27. Het onevenredige van de getalsterkte van de beide legers was zeer opmerkelijk, vers 27. De kinderen Israëls, die in twee bataljons verdeeld waren, hadden het aanzien van twee kleine geitenkudden, hun aantal klein, hun uitrusting armoedig, en hun voorkomen verachtelijk, maar de Syriërs vervulden het land met hun getallen, hun gedruis, hun wagens en paarden, en hun bagage.
IV. Achab wordt aangemoedigd om tegen de Syriërs te strijden, niettegenstaande al hun voordelen en hun vertrouwen in de overwinning. Een man Gods wordt tot hem gezonden om hem te zeggen dat geheel dit talrijke leger in zijn hand zal gegeven worden, vers 28, maar niet om zijnentwil, hij wete dat hij, voor wie God dit doen zal, geheel en al onwaardig is. God zal het niet doen omdat Achab God heeft geprezen of tot Hem gebeden heeft (wij lezen nergens dat hij dit gedaan heeft) maar omdat de Syriërs God hadden gelasterd, gezegd hadden dat Hij een god van de bergen is, en niet van de laagten, daarom zal God het doen om Zijn eer hoog te houden. Indien de Syriërs hadden gezegd: "Achab en zijn volk hebben hun God verlaten, en zich dus buiten Zijn bescherming gesteld, en daarom kunnen wij het wagen hen aan te vallen", dan zou God Israël waarschijnlijk in hun handen overgeleverd hebben, maar als zij van een veronderstelling uitgaan, zo beledigend voor de Goddelijke almacht en de eer van Hem, die de Heere is van de heirscharen, niet slechts in bergen en in vlakten, maar in hemel en op aarde, waarmee zij moedwillig onbekend zijn, dan zullen zij uit de droom geholpen worden ten koste van het grote leger, waarop zij zo trots zijn en zozeer vertrouwen.
V. Nadat de legers zeven dagen tegenover elkaar gelegerd waren (de Syriërs waarschijnlijk roemende, en de Israëlieten sidderende), werden zij slaags, en leden de Syriërs een algehele nederlaag, honderd duizend man vielen door het zwaard Israëls, vers 29, op het slagveld, en zeven en twintig duizend, die zich reeds ontkomen waanden, vielen onder de muur van Afek, een versterkte stad (van welker muren de schutters de vijanden afbreuk konden doen, indien zij hen vervolgden, 2 Samuël 11:24) en vonden hun verderf daar, waar zij bescherming hoopten te vinden. De muur, waarschijnlijk omgeworpen door een aardbeving, viel op hen, en daar de steden van Kanaän gesterkt waren tot de hemel toe, reikten zij ver, en werden al die mannen gedood, of gewond, of geheel overstelpt van schrik. Benhadad, die dacht dat zijn stad Afek het tegen de overwinnaars zou kunnen houden, haar aldus onbemuurd vindende en het overschot van zijn krijgsmacht ontmoedigd en verstrooid, kon slechts op veiligheid hopen door zich te verbergen, en zo verschool hij zich in een binnenkamer, vers 30, een kamer in een kamer, uit vrees dat de vervolgers hem grijpen zouden. Zie hoe de grootste gerustheid dikwijls eindigt in de grootste lafhartigheid. "Is de God Israëls nu de God van de laagten? Ja of neen?" Hij zal het weten nu hij genoodzaakt is zich in een binnenkamer te verbergen. Zie Hoofdstuk 22:25.