Jozua 13:1-6
I. God herinnert er Jozua aan, dat hij oud is, vers 1.
1. Er wordt gezegd, dat Jozua oud en welbedaagd was, hij en Kaleb waren toen de enige oude mannen onder de duizenden van Israël. Van hen, die bij de berg Sinaï geteld waren, was er buiten hen niemand meer in leven. Van zijn jeugd af aan is hij een krijgsman geweest, Exodus 17:10, maar nu was hij aan de zwakheden en gebreken van de ouderdom onderhevig, en het zou ook voor de krachtigste man vergeefs zijn om daartegen te willen strijden. Jozua schijnt in zijn ouderdom de lichaamskracht niet bezeten te hebben, die Mozes heeft gehad, niet allen, die een hoge leeftijd bereiken, vinden die gunstig voor hen, over het algemeen zijn de dagen van de ouderdom kwade dagen, waarin geen genot of genoegen is, en geen grote verwachting kan gekoesterd worden van werk of dienst.
2. God wijst hem hier op. De Heere zei tot hem: gij zijt oud geworden. Het is goed voor hen, die oud en welbedaagd zijn, om hieraan herinnerd te worden. Sommigen merken het niet, dat de "rauwheid op hen verspreid is, Hosea 7:9. Zij denken er niet gaarne aan en daarom is het nodig dat het hun gezegd wordt, opdat zij opgewekt worden om het werk des levens te doen en zich te bereiden op de dood, die snel tot hen nadert. Maar God spreekt van Jozua's ouderdom en toenemende zwakheid:
a. Als een reden, waarom hij er nu niet meer aan moet denken om de oorlog voort te zetten. Hij kan niet verwachten er spoedig het einde van te zien, want er bleef nog veel land over-meer dan hij misschien dacht dat in bezit genomen moest worden, in verschillende en ver van elkaar afgelegen delen, en het voegde niet, dat hij op zijn hoge leeftijd de vermoeienissen zou doorstaan van de oorlog te hernieuwen, en hem in die ververwijderde plaatsen over te brengen, neen, voor hem was het genoeg het hoofdbestanddeel des lands onderworpen te hebben, laat hem nu verzameld worden tot zijn rust met de eer en de dankbaarheid zijns volks voor de goede diensten, die hij hun bewezen had en laat de verovering van de zomen des lands overblijven voor hen, die na hem zullen komen. Gelijk hij tot de arbeid van Mozes was ingegaan, zo laat nu anderen tot de zijnen ingaan, en de hoofdsteen voortbrengen, en dit te doen was lang daarna weggelegd voor David. God weet van welk maaksel Zijn volk is en Hij wil niet dat het werk, hun opgelegd, hun kracht te boven gaat. Het is niet te verwachten dat oude lieden voor God en hun land kunnen doen wat zij gedaan hebben toen zij nog jong en krachtig waren.
b. Als een reden, waarom hij er zich spoedig toe moet begeven om het land, dat hij veroverd had, onder de stammen te verdelen. Dat werk moet gedaan worden, moet spoedig gedaan worden, het was nodig dat het onder zijn bestuur en toezicht zou geschieden, daar hij dus oud en welbedaagd is, en waarschijnlijk niet lang meer zal leven, zo laat hem nu deze laatsten dienst voor God en Israël doen. Alle mensen, maar inzonderheid oude mensen, behoren er zich toe te zetten om spoedig te doen wat gedaan moet worden eer zij sterven, opdat zij er niet door de dood in worden verhinderd, Prediker 9:10.
II. Hij geeft hem een bijzonder bericht van het land, dat nog veroverd moet worden, bestemd voor Israël, en ter bestemder tijd hun ook ten deel zal vallen, indien zij tenminste niet zelf het zullen verhinderen. Er worden hier onderscheiden plaatsen genoemd, waarvan sommigen in het zuiden lagen, als het land van de Filistijnen, geregeerd door vijf vorsten, en het land, dat vooraan Egypte is, vers 2, 3. Sommigen lagen in het westen, zoals dat hetwelk naar de zijde van de Sidoniërs is, vers 4. Sommigen lagen in het oosten, zoals de gehele Libanon, vers 5. Aan Jozua wordt dit gezegd, en hij maakte er het volk mee bekend:
1. Opdat zij te meer getroffen zouden zijn door Gods goedheid jegens hen, in hun dit goede land te geven, en er door gedrongen zouden worden om Hem lief te hebben en te dienen, want, indien hetgeen zij hadden te weinig was, dan zal Hij "alzulks en alzulks daartoe doen," 2 Samuël 12:8.
2. Opdat zij niet in verzoeking zouden zijn om enigerlei verbond te sluiten, of in een gevaarlijke gemeenzaamheid te komen met deze hun naburen, en hun wegen te leren, maar veeleer moesten zij ijver tegen hen koesteren als lieden, die hun hun recht onthielden, en met wie zij dus een rechtmatige twist hadden.
3. Opdat zij in de houding zouden blijven van oorlog te voeren, er niet aan zouden denken het harnas af te leggen, zolang er nog land buiten hun bezit bleef. En wij moeten onze geestelijke wapenrusting niet afleggen, niet ophouden waakzaam te zijn, voordat onze overwinning volkomen is in het koninkrijk van de heerlijkheid.
III. Hij belooft dat de Israëlieten meesters zullen worden van al die landen, welke nu nog niet onderworpen zijn, hoewel Jozua oud was en niet instaat was om het te doen, oud en dus waarschijnlijk niet zal beleven dat het gedaan wordt. Wat er ook van ons moge worden en hoe wij ook terzijde worden geworpen als een bedorven vat, God zal Zijn eigen werk doen, op Zijn eigen tijd, vers 6, Ik zal hen verdrijven. De oorspronkelijke uitdrukking is zeer krachtig: Ik ben het, die het doen zal, Ik, die het kan doen, als gij gestorven zijt, Ik, die het zal doen, indien Israël er zichzelf niet voor in de weg is om het te verhinderen." "Ik zal het doen door Mijn Woord", zo heeft de Chaldeer het hier evenals in vele andere plaatsen, "door het eeuwige Woord, de Vorst van het heir des Heeren". Deze belofte, dat Hij hen voor het aangezicht van de kinderen Israëls zal verdrijven, onderstelt duidelijk de voorwaarde van de belofte, dat de kinderen Israëls zelf er naar moeten streven hen uit te roeien want anders kon niet gezegd worden, dat zij voor hun aangezicht verdreven zullen worden. Indien later de Israëlieten uit traagheid of lafhartigheid, of genegenheid voor deze afgodendienaars, stilzitten en hen ongemoeid laten dan moeten zij het zichzelf wijten, en niet aan God, dat zij niet verdreven zijn. Wij moeten onze zaligheid werken, en dan zal God in ons werken, en met ons werken, wij moeten onze geestelijke vijanden weerstaan, en dan zal God hen onder onze voeten verpletteren, wij moeten uitgaan naar onze Christelijke arbeid en strijd, en dan zal God voor ons aangezicht henengaan.