1 Samuël 4:1-9
De eerste woorden, die betrekking hebben op Samuël, dat zijn woord geschiedde aan geheel Israël, schijnen in generlei verband te staan tot de volgende geschiedenis, alsof het door zijn bestuur of aanwijzing was dat de Israëlieten uittrokken tegen de Filistijnen. Hadden zij hem geraadpleegd, het zou hun, hoewel hij pas als profeet was opgetreden, van meer nut zijn geweest dan de ark, maar wellicht hebben de oversten van Israël zijn jonkheid veracht, en wilden zij hem niet als een Godsspraak raadplegen, en in openbare zaken mengde hij zich toen nog niet. Wij vinden van nu aan ook geen vermelding van zijn naam tot enige jaren later, Hoofdstuk 7:3. Alleen: zijn woord geschiedde tot Israël, dat is: van alle delen des lands kwamen Godvruchtig-gezinde lieden tot hem als profeet om hem te raadplegen. Misschien is het bedoeld van zijn profetie tegen het huls van Eli, dat die algemeen bekend was en besproken werd, en allen, die ernstig en opmerkzaam waren, vergeleken de gebeurtenissen, die hier verhaald zijn, toen zij geschied waren, met die profetie, en zagen dat zij er de vervulling van waren.
1. Wij hebben hier een oorlog met de Filistijnen, vers 1. Het was een poging om het juk hunner verdrukking af te werpen, en zou beter geslaagd zijn, indien zij eerst berouw hadden gehad van hun zonden, zich bekeerd en verbeterd hadden, en aldus het werk van de rechte zijde hadden aangevat. Men heeft berekend dat dit ongeveer in het midden was van de veertigjarige heerschappij van de Filistijnen over Israël, Richteren 13:1, en spoedig na de dood van Simson aldus bisschop Patrick, die denkt dat de slachting, door Simson onder hen aangericht bij zijn dood, hen tot deze poging aangemoedigd kon hebben-maar Dr. Lightfoot acht dat het veertig jaren was na de dood van Simson, omdat Eli zolang Israël gericht heeft, vers 1-3.
II. Israëls nederlaag in die krijg, vers 2. De Israëlieten, die de aanvallers waren, werden geslagen, en vier duizend man van hen werden gedood. God had beloofd dat een enige van hen er duizend zou jagen, maar nu had het tegendeel plaats. Israël is geslagen voor het aangezicht van de Filistijnen. Zonde, de gevloekte zaak, was in het leger, en gaf hun vijanden al het voordeel tegen hen, dat zij slechts konden wensen.
III. De maatregelen, die zij beraamden voor een tweeden veldslag. Er werd een krijgsraad belegd, en, inplaats van het besluit te nemen om te vasten en te bidden, en hun leven te verbeteren, waren zij zo slecht onderwezen-en geen wonder, aangezien zij zulke slechte onderwijzers hadden-dat zij:
1. Met God twistten, omdat Hij niet voor hen verscheen, vers 3.
Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezicht van de Filistijnen? Als zij dit bedoelden als een vraag naar de oorzaak van Gods misnoegen, dan behoefden zij niet ver te gaan om haar te ontdekken, het was duidelijk genoeg dat Israël had gezondigd, hoewel zij het niet wilden zien en erkennen. Maar het schijnt veeleer bedoeld als een klacht tegen God, zij zijn misnoegd over hetgeen God gedaan heeft, en twistten er over met Hem. Zij erkenden de hand Gods in hun tegenspoed (en dat was in zoverre recht) "Het is de Heere die ons geslagen heeft", maar inplaats van er zich aan te onderwerpen, twistten zij er mede, en spreken als degenen,. die vertoornd op Hem zijn, op Hem en op de leiding van Zijn voorzienigheid, en zijn zich niet bewust dat zij er God reden toe hadden gegeven. "Waarom moeten wij, die Israëlieten zijn, geslagen worden voor het aangezicht van de Filistijnen? Hoe ongerijmd en onrechtvaardig!" De dwaasheid des mensen verkeert zijn weg en dan "gaat zijn hart zich tegen de Heere vergrammen," Spreuken 19:3, en keurt Zijn doen af.
2. Zij beeldden zich in dat zij Hem kunnen noodzaken om in de volgenden veldslag voor hen te verschijnen, door de ark in hun leger te brengen. De oudsten van Israël waren onwetend en dwaas genoeg om dit voor te stellen, vers 3 en het volk heeft dit voorstel spoedig ten uitvoer gebracht, vers 4. Zij zonden naar Silo om de ark, en Eli had de moed niet om er zich tegen te verzetten, maar zond zijn goddeloze zonen Hofni en Pinehas er mede, of vergunde hun tenminste om mee te gaan, hoewel hij wist dat, waar zij ook heengingen, de vloek Gods hen vergezelde. Nu zien wij hier:
A. De diepen eerbied, die zij hadden voor de ark. "O zendt om de ark, zij zal wonderen voor ons doen." De ark was, als inzetting, een zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid. God had gezegd dat Hij tussen de cherubim zou wonen, die boven aan de ark waren en met de ark gedragen werden, nu dachten zij dat zij door deze groten eerbied te betonen voor deze heilige ark, zich als ware Israëlieten zullen bewijzen, en hierdoor God zouden nopen tot hun gunste te verschijnen. Het is iets geheel gewoons, dat zij, die vreemdelingen zijn geworden voor de innerlijke kracht van de Godsdienst, veel ophebben met de uiterlijke waarneming er van, dat zij zelfs, die de kracht van de Godzaligheid verloochenen, er de gedaante niet alleen van hebben, maar haar ook bewonderen. De tempel des Heeren wordt geroemd, voor de ark des Heeren wordt geijverd, schijnbaar met veel vuur, door velen die volstrekt geen liefde hebben voor de tempel des Heeren en voor de God van de ark, alsof een vurige zorg voor de naam des Christendoms een vergoeding kon zijn voor een onheilig verachten van de zaak, het wezen. En inderdaad hebben zij slechts een afgod gemaakt van de ark en zo beschouwden Zij haar evenzeer als een beeld van de God Israëls, als de dingen, die de heidenen aanbaden, voor hen beelden waren van hun goden. De waren God te aanbidden en Hem niet als God te aanbidden, dat is eigenlijk Hem in het geheel niet te aanbidden.
B. Hun grote dwaasheid in te denken dat, zo zij de ark in hun leger hadden, zij hen zeker zou verlossen uit de hand hunner vijanden, en de overwinning naar hun zijde zou doen overslaan. Want:
a. Als de ark optoog, bad Mozes: "Sta op, Heere, en laat Uwe vijanden verstrooid worden", wel wetende dat het niet de ark was, die met hen optrok, maar God, voor hen verschijnende, die hun voorspoed moest geven, en hier waren geen goede middelen gebruikt om God er toe te brengen hen met Zijn tegenwoordigheid te begunstigen, welk goed kon de ark hun dan doen, de schaal zonder de kern?
b. Het was er zo ver af, dat zij Gods vergunning hadden om de ark te verplaatsen dat Hij hun duidelijk genoeg in Zijn wet te kennen had gegeven dat de ark, wanneer zij in Kanaän gevestigd zouden zijn, gevestigd zou wezen aan de plaats, die Hij zou verkiezen, Deuteronomium 12:5, 11, en dat zij tot de ark moeten komen, maar de ark niet tot hen. Hoe konden zij er dan een voordeel van verwachten, als zij niet in het wettig bezit er van waren, noch enigerlei volmacht hadden om haar van haar plaats te verwijderen? Inplaats van God te eren door hetgeen zij deden, hebben zij er Hem in werkelijkheid mee beledigd. Ja meer:
c. Indien er al niets anders ware om hun verwachtingen van de ark ijdel te maken, hoe konden zij dan toch nog denken dat zij hun een zegen zou aanbrengen, als Hofni en Pinehas de mannen waren, die haar in het leger hadden gebracht? Het ZOU hun slechtheid te veel tot steun zijn geweest, als de ark goed had gedaan aan Israël, terwijl zij in de handen van deze eerloze priesters was.
IV. De grote vreugde in het leger van Israël, toen de ark er aankwam, vers 5, zij juichten, alzo dat de aarde dreunde. Nu dachten zij zich zeker van de overwinning, en daarom hieven zij juichkreten aan nog vóór de strijd, alsof hunner onfeilbaar de overwinning moest wezen bedoelende om door dit groot gejuich zichzelf en hun krijgsmacht te bezielen met moed en hun vijanden vrees aan te jagen. Vleselijk-gezinde mensen juichen en roemen in de uitwendige voorrechten en verrichtingen van de Godsdienst en betrouwen erop alsof die hen zonder feil zullen behouden, en alsof de ark, Gods troon in het leger, hen naar de hemel zal brengen, ofschoon de wereld en het vlees op de troon zijn in hun hart.
V. De ontsteltenis van de Filistijnen toen de ark in het leger gebracht was. De twee heiren waren dicht bij elkaar gelegerd, dat van de Filistijnen hoorde het gejuich van de Israëlieten bij deze gelegenheid. Weldra vernamen zij er de oorzaak van, vers 6, en waren bevreesd voor de gevolgen. Want:
1. Dat was in hun tijd nooit tevoren geschied. God is in het leger gekomen, en daarom: wee ons, vers 7, en wederom: wee ons, vers 8. De naam van de God Israëls was geducht zelfs voor hen, die andere goden aanbaden, en zelfs ongelovigen hadden nog wel Benig besef van het gevaarlijke om met Hem te strijden. Het natuurlijk geweten fluistert, dat diegenen zich in een treurigen toestand bevinden, die God tot hun tegenstander hebben. Maar zie welke domme denkbeelden zij hadden van de Goddelijke tegenwoordigheid, alsof de God Israëls niet evenzeer in het leger was, voordat de ark er kwam, hetgeen in hen wel verontschuldigd kan worden, daar van de Israëlieten denkbeelden van die tegenwoordigheid niet beter waren. "O!" zeggen zij, "dit is een nieuw plan, dat zij tegen ons beraamd hebben, schrikkelijker dan al hun krijgslisten, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied, dit was de krachtigste maatregel, die zij konden nemen om onze mannen te ontmoedigen en hun handen te verslappen."
2. Toen dit vanouds geschied was, had het wonderen gedaan, vers 8. Dit zijn de goden die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben bij de woestijn. Hier hadden zij het even mis in de geschiedenis als in hun kennis van Goddelijke dingen, de plagen van Egypte waren gekomen voordat de ark gemaakt was, en voordat Israël in de woestijn kwam, maar er weren enige vage, verwarde overleveringen tot hen gekomen van wonderen door of voor Israël gewrocht, toen deze ark voor hen uit werd gedragen, die zij toeschreven niet aan Jehovah, maar aan de ark. Nu zeggen zij: Wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? de ark voor God aanziende, dat ze wel konden doen, als Israël zelf haar vergoodde. Toch is het, alsof zij niet in ernst waren, toen zij met zoveel vrees en ontzag van deze heerlijke of machtige goden spraken, maar dat zij zich slechts schertsenderwijs of in sarkasme aldus uitlieten, want inplaats van de aftocht te blazen of vredesvoorstellen te doen, dat zij gedaan zouden hebben indien zij wezenlijk overtuigd waren van de macht van Israëls God, wekten zij elkaar op om met te meer kloekmoedigheid te strijden, deze onverwachte moeilijkheid heeft hen slechts te meer vastberaden gemaakt, vers 9. Zijt sterk, en weest mannen. De bevelhebbers bezielden de soldaten met moed en vastberadenheid door hen er aan te herinneren dat zij over Israël geheerst hebben, en welk een ondraaglijke smart en schande het zou zijn, als zij nu terugdeinsden, en Israël over zich lieten heersen.