2 Samuël 11:14-27
Toen Davids plan om Uria voor de vader van het kind te doen doorgaan mislukt was zodat Uria na verloop van tijd voorzeker het onrecht zou te weten komen, dat hem aangedaan was, wilde hij de vruchten van zijn wraak voorkomen, en nu gaf de duivel hem in het hart om Uria uit de weg te ruimen, want zo zal er noch voor hem noch voor Bathseba meer enig gevaar zijn, welke vervolging kan ingesteld worden, als er geen vervolger is? Daarbij blies hij hem ook in dat Uria dood zijnde, Bathseba, zo hem dit behaagde, voor altijd de zijne kon wezen. Overspel heeft dikwijls moord teweeggebracht, en de ene slechtheid moet door de andere bedekt en beveiligd worden. Daarom moet men vrezen voor het begin van de zonde, want wie weet waar zij zal eindigen?
In Davids hart (nooit zou men gedacht hebben, dat dit zo'n snode gedachte kon koesteren) is het besloten dat Uria moet sterven, die onschuldige, kloekmoedige, dappere man, die bereid was voor de eer zijns vorsten te sterven, moet sterven door de hand van zijn vorst. David heeft gezondigd, en Bathseba heeft gezondigd, en beide tegen hem, en daarom moet hij sterven. David stelt vast dat dit moet. Is dit de man, wiens hart hem sloeg omdat hij de slip van Sauls mantel had afgesneden? "Quantum mutatus ab illo! -Maar ach! hoe veranderd!" Is hij dit, die zijn gehele volke recht en gerechtigheid deed? Hoe kan hij dan nu zo'n onrechtvaardige daad doen? Zie hoe vleselijke lusten krijg voeren tegen de ziel, en welke verwoestingen zij aanrichten in die krijg, hoe zij de ogen verblinden, het hart verharden, de consciëntie toeschroeien en de mensen van alle gevoel voor eer en gerechtigheid beroven. "Die met een vrouw overspel doet is verstandeloos, verliest geheel en al zijn verstand, hij verderft zijn ziel, die dat doet," Spreuk 6:32.
Maar evenals het oog van de overspeler, zo zoekt ook de hand van de moordenaar verberging, Job 24:14, 15. Werken van de duisternis haten het licht. Toen David kloekmoedig Goliath heeft verslagen, geschiedde het in het openbaar, en hij roemde er in, maar toen hij laaghartig Uria heeft gedood, moest dit in het verborgen geschieden, want hij schaamde er zich voor, en wel mocht hij. Wie zou een daad willen doen waarvoor hij niet durft uitkomen? De duivel heeft als een giftige slang het in Davids hart gegeven om Uria te vermoorden, en als een listige slang blaast hij hem in hoe het te doen. Niet zoals Absalom Ammon versloeg door zijn knechten te bevelen hem te vermoorden, of zoals Achab Naboth versloeg door getuigen om te kopen om hem te beschuldigen, maar door hem bloot te stellen aan de vijand, een manier om het te doen, die wellicht aan het geweten en de wereld niet zo hatelijk toeschijnt, omdat krijgslieden zich natuurlijkerwijs aan gevaar blootstellen. Indien Uria niet op die gevaarlijke post was geweest, dan had er een ander moeten zijn, hij heeft-zoals wij zeggen-een kans voor zijn leven, als hij zich dapper weert, kan hij misschien ongedeerd blijven, en zo hij sterft, sterft hij op het veld van eer, waar een krijgsman zou verkiezen te sterven. En toch! dit alles neemt niet weg dat het moedwillige moord was, moord met voorbedachten rade.
I. Aan Joab worden orders gezonden om Uria vooraan tegenover de sterkste strijd te stellen, hem dan te verlaten en aan de vijand prijs te geven, vers 14, 15. Het was Davids doel om Uria uit de weg te ruimen, en dit doel werd door hem bereikt. Er zijn veel verzwarende omstandigheden bij die moord.
1. Het geschiedde met voorbedachten rade. Hij nam de tijd om er over na te denken, en hoewel hij tijd had om er over na te denken want hij schreef er een brief over, en hoewel hij tijd had om later de order te herroepen eer zij ten uitvoer kon worden gebracht, heeft hij dit toch niet gedaan. 2. Hij zond de brief door Uria zelf, en niets kon lager en wreder zijn dan hemzelf te doen medewerken tot zijn dood. En welk een paradox was het, dat hij zo'n boosaardigheid kon koesteren tegen hem, in wie hij toch zo'n vertrouwen kon stellen, dat hij brieven moet overbrengen, met welker inhoud hij onbekend moest blijven.
3. Uria's moed en ijver voor zijn koning en zijn land, die de grootste lof en de hoogste beloning verdienden, gebruikte hij om hem zoveel gemakkelijker te doen vallen. Hij was een man van zoveel gewicht, dat, zo hij niet ijverig was geweest om zich aan gevaar bloot te stellen, Joab hem niet aan gevaar had kunnen blootstellen, en dat dit edele vuur nu tegen hemzelf gericht werd, was het verfoeilijkste voorbeeld van ondankbaarheid.
4. Er moeten velen betrokken worden in die zonde, Joab, de veldoverste, aan wie het bloed van zijn krijgslieden, inzonderheid dat van zijn helden, dierbaar moest zijn, moet dit doen, hij en allen, die Uria verlieten toen zij hem hadden behoren te steunen en te helpen, dragen schuld aan zijn dood.
5. Uria kan aldus niet alleen sterven, het krijgsvolk, waarover hij het bevel voert, is in gevaar om met hem gedood te worden, en zo bleek het ook, sommigen van het volk, van Davids knechten, (zo worden zij genoemd om Davids zonde te verzwaren, waarmee hij zo roekeloos hun leven prijsgaf) zijn met hem gevallen, vers 17. Ja meer, deze moedwillig verkeerde leiding, door welke Uria verraden moest worden, zou voor het gehele leger noodlottige gevolgen kunnen hebben, hen genoodzaakt kunnen hebben om het beleg op te breken.
6. Het zal de triomf en blijdschap zijn van de Ammonieten, de gezworen vijanden van God en Israël, hun zeer grote voldoening geven. David bad voor zichzelf, dat hij niet in de handen van mensen mocht vallen, niet voor zijn vijanden zou moeten vluchten, Hoofdstuk 24, 13, 14, maar zijn knecht Uria verkoopt hij in de handen van de Ammonieten, en dat wel om generlei ongerechtigheid, die bij hem gevonden was.
II. Joab voert die orders uit. Bij de volgende aanval op de stad werd Uria op de gevaarlijkste post gesteld, maar wordt aangemoedigd door de hoop dat, zo hij door de belegerden teruggeslagen werd, Joab hem te hulp zal komen. In het vertrouwen hierop gaat hij moedig voorwaarts, maar de hulp komt niet opdagen, en hij werd gedood, vers 16, 17. Het was vreemd dat Joab zo iets deed op een bloot schriftelijk bevel, zonder dat hij er de reden van wist. Maar
1. Misschien was hij in de mening dat Uria zich aan een grote misdaad schuldig had gemaakt, dat David hem ontboden had om er onderzoek naar te doen, en dat hij, hem niet in het openbaar willende straffen, die maatregel nam om hem ter dood te brengen.
2. Joab had zich schuldig gemaakt aan moord, en wij kunnen onderstellen dat het hem veel genoegen deed David in diezelfde zonde te zien vallen, en hij dus bereid genoeg was er hem in te helpen ten einde in zijn gunst te kunnen blijven. Het is iets geheel gewoons dat zij, die zelf kwaad gedaan hebben, verlangen er in ondersteund te worden door anderen, die hetzelfde doen, inzonderheid door de zonden van hen, die uitmunten in het belijden van de Godsdienst. Of misschien wist David dat Joab wrok koesterde tegen Uria, en wel gaarne wraak op hem zou willen oefenen, want anders wist Joab, als hij er reden voor zag, des konings orders wel te betwisten zoals Hoofdstuk 19:5, 24:3 uitwijzen. III. Hij zendt David bericht er van. Een expresse wordt terstond afgevaardigd met een bericht van deze laatste schande en het verlies, dat er bij geleden werd, vers 18. En om de zaak te bemantelen,
1. Onderstelt hij dat David zich vertoornd zou tonen over zijn slechte leiding, er rekenschap van zou vragen waarom zij zo dicht tot de muur waren genaderd, vers 20. Wisten zij niet dat Abimelech het leven had verloren door dit te doen? vers 21. Wij hadden die geschiedenis in Richteren 9:53, welk boek waarschijnlijk in Samuëls tijd als deel van de gewijde geschiedenis was uitgegeven, en waarmee zelfs de krijgslieden (zij het aangetekend tot hun lof en ter navolging) wel vertrouwd waren, zodat zij gemakkelijk voorbeelden uit de Schrift konden aanhalen, om er gebruik van te maken ter vermaning van zichzelf en ter waarschuwing om niet te doen, wat voor anderen zo noodlottig is gebleken.
2. Op slimme wijze beveelt hij de bode, om de tijding te verzachten door de mededeling dat ook Uria, de Hethiet gesneuveld was, hetgeen een maar al te duidelijke wenk was voor de bode, en door hem ook voor anderen, dat David heimelijk verheugd zou zijn dit te horen, want, moord komt altijd uit. En als de mensen zulke dingen doen, dan moeten zij verwachten dat zij er, zelfs door hun minderen, om bespot zullen worden, en dat men het hun zal verwijten. De bode heeft. het bericht overeenkomstig zijn orders overgebracht, vers 22-24. Hij laat het voorkomen alsof de belegerden het eerst een uitval hadden gedaan op de belegeraars, zij zijn tot ons uitgetogen in het veld, stelt de belegeraars voor als uitermate kloekmoedig, wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur van de poort, wij noodzaakten hen om in allerijl terug te gaan naar de stad, en zo besluit hij met een vermelding als terloops van de slachting die onder hen is aangericht door schutters, die van de muur op hen geschoten hebben, enigen van des konings knechten zijn dood gebleven, inzonderheid Uria de Hethiet, een officier van aanzien, was de eerste, die op de lijst van de verslagenen voorkomt.
IV. David ontvangt het bericht met heimelijke voldoening, vers 25. Laat deze zaak niet kwaad zijn in Joabs ogen, want zij is het niet in Davids ogen. Hij laakt zijn beleid niet, denkt niet dat zij verkeerd gedaan hebben met zo dicht tot de muur te naderen, alles is wel nu Uria uit de weg is. Dit doel bereikt hebbende, kan hij zijn verlies licht dragen, en er zich gemakkelijk met een verontschuldiging overheen zetten. Het zwaard verteert zowel deze als gene, het was de krijgskans, dus niets buitengewoons. Hij beveelt Joab de volgende maal de strijd te versterken, terwijl hij door zijn zonde, hem verzwakte en God als het ware uitdaagde om geheel de onderneming te doen mislukken.
Eindelijk. Binnen korte tijd huwde hij de weduwe. Zij onderwierp zich aan de ceremonie om rouw te dragen over haar man, doch slechts voor zo korte tijd als het gebruik het toeliet, vers 26, en toen nam David haar in zijn huis als zijn vrouw, en zij baarde hem een zoon. Uria's wraak werd voorkomen door zijn dood, maar de geboorte van het kind zo spoedig na het huwelijk maakte de misdaad bekend, de zonde zal te schande worden. En toch was dit nog het ergste niet. Deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des Heren, de zaak van Uria de Hethiet, zoals zij genoemd wordt in 1 Koningen 15:5, het overspel, de valsheid, de moord en dit huwelijk tenslotte, het was alles kwaad in de ogen des Heren. Hij deed wat hem behaagde, maar aan God mishaagde. God ziet en haat de zonde in Zijn volk. Ja hoe nader de mensen aan God staan in belijdenis, hoe meer hun zonden Hem mishagen, want er is meer ondankbaarheid, trouweloosheid en smaad in dan in de zonden van anderen. Laat dan niemand zich door het voorbeeld van David aanmoedigen om te zondigen, want zij, die zondigen zoals hij gezondigd heeft, zullen onder Gods misnoegen vallen, zoals hij er onder gevallen is. Zo laat ons dan beven en niet zondigen, niet zondigen in de gelijkheid van deze overtreding.