Nehemia 13:23-31
Wij hebben hier nog een voorbeeld van Nehemia's vrome ijver voor de reiniging van zijn landgenoten, als een bijzonder volk van God, dat was de zaak, die hij op het oog had in het gebruiken van zijn macht, niet de verrijking van zichzelf.
I. Zie hier hoe zij zich verdorven hadden door vreemde vrouwen te huwen. Daar werd in Ezra's tijd over geklaagd, en toen werd veel gedaan om een hervorming hierin tot stand te brengen, Ezra 9 en 10. Maar als de onreine geest buitengeworpen wordt, en er geen werkzaam oog op hem wordt gehouden, dan zal hij weer inkomen, dat deed hij toen. Hoewel zij, die in Ezra's tijd vreemde vrouwen gehuwd hadden, genoodzaakt waren geworden die weg te zenden, hetgeen wel verdriet en verwarring in de gezinnen teweegbrengen moest, hebben anderen er zich toch niet door laten waarschuwen, Nitimur in vetitum Wij haken nog naar het verbodene. Als een goed regeerder deed Nehemia onderzoek naar de staat van de gezinnen onder zijn bestuur, ten einde wat er verkeerd in was te verbeteren, en aldus de stromen te genezen door de bronnen te genezen.
1. Hij informeerde er naar vanwaar zij hun vrouwen hadden, en bevond dat velen van de Joden Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen gehuwd hadden vers 23, hetzij omdat zij het verbodene beminden, of omdat zij hoopten zich door deze verbintenissen te versterken en te verrijken. Zie hoe God dit door Zijn profeet bestraft, Maleachi 2:11, "Juda handelt" "trouweloos," breekt zijn verbond met God. het verbond dat in Ezra's tijd gemaakt werd met betrekking tot deze zelfde zaak, hij ontheiligt de heiligheid des Heeren, want hij heeft de dochter, dat is de aanbidster, van een vreemde god getrouwd.
2. Hij sprak met de kinderen, en bevond dat zij kinderen waren van vreemden, want hun spraak maakte hen openbaar. De kinderen werden opgevoed bij hun moeders, en leerden van haar en haar dienstmaagden spreken, zodat zij de taal van de Joden niet konden spreken, hetzij in het geheel niet, of niet goed, niet gemakkelijk en niet zuiver, zij spraken half Asdodisch, of Ammonietisch, of Moabietisch, naar het land was vanwaar de moeder kwam.
Merk op:
a. In hun vroege jeugd leren kinderen veel van hun moeders. Partus sequitur ventrem-Zij zijn geneigd hun moeders na te volgen. Als een van beide ouders slecht is, zal de verdorven natuur de kinderen naar die zijde neigen, hetgeen een goede reden is waarom Christenen geen huwelijk moeten aangaan met ongelovigen.
b. In de opvoeding van kinderen moet veel zorg gedragen worden voor hun spraak, opdat zij de taal niet leren van Asdod, geen goddeloze of onreine spraak hebben, geen vuile rede uit hun mond ga.
II. Zie wat Nehemia deed om dit bederf uit te zuiveren, toen hij ontdekte hoe algemeen het heerste.
1. Hij toonde hun het kwaad ervan aan, en hoe het zijn plicht was er tegen te getuigen. Hij zocht geen gelegenheid tegen hen, maar dit was een ongerechtigheid, strafbaar bij het gericht, en die hij volstrekt niet oogluikend mocht toelaten, vers 27. "Zouden wij dan naar ulieden horen, die dit trachten te bemantelen en te verschonen? Neen, het is een kwaad, een groot kwaad, het is overtreden tegen onze God, vreemde vrouwen bij u te doen wonen, en wij moeten alles doen wat wij kunnen, om dit te doen ophouden. Gij vraagt dat zij niet van u gescheiden niet van u weggezonden zullen worden, maar wij kunnen niet naar u horen, want er is geen ander middel om die schuld van ons af te wentelen, en de besmetting ervan te voorkomen."
a. Hij haalt een gebod aan, om te bewijzen dat het op zichzelf reeds een grote zonde was, en laat hen zweren naar dit gebod: indien gij uw "dochters aan hun zonen zult geven," en verv, dat ontleend is aan Deuteronomium 7:3. Als wij de mensen van zonde willen doen aflaten, dan moeten wij er hun in de spiegel van het gebod het zondige van aantonen.
b. Hij haalt een precedent aan, om er de verderflijke gevolgen van aan te tonen, waardoor het nodig wordt dat de regering er haar afkeuring van te kennen geeft, vers 26. Heeft niet Salomo de koning van Israël, daarin gezondigd? De val van grote en Godvruchtige mannen is in de geschiedenis vermeld om er ons door te laten waarschuwen de verzoekingen te mijden, voor welke zij bezweken zijn. Salomo was beroemd om zijn wijsheid, daarin was geen koning hem gelijk, maar toen hij vreemde vrouwen huwde, heeft zijn wijsheid hem niet beveiligd tegen de strikken, die zij hem spanden, ja meer, zijn wijsheid week van hem en hij heeft zeer zottelijk gedaan. Hij was bemind door God, maar die zonde heeft hem de gunst van God doen verliezen ja heeft bijna het heilige vuur van de genade uitgedoofd in zijn ziel. Hij was koning over geheel Israël, maar hierdoor heeft hij tien van de twaalf stammen verloren. Gij zegt dat gij vreemde vrouwen kunt huwen en toch de zuiverheid van Israëlieten kunt bewaren, maar Salomo zelf kon dit niet, zelfs hem deden de vreemde vrouwen zondigen. Laat dan hij, die meent te staan, toezien dat hij niet valle, als hij zo'n afgrond tegemoet gaat.
2. Hij toonde zich hoogst misnoegd er over, teneinde er hun het kwaad van te doen beseffen. Hij twistte met hen, vers 25, zij poogden zich te rechtvaardigen in hetgeen zij gedaan hadden, maar hij toonde hun hoe beuzelachtig hun verontschuldigingen waren, en heeft met warmte er over geredeneerd met hen. Toen hij hen tot zwijgen had gebracht, vloekte hij hen, dat is: hij kondigde Gods oordelen over hen aan, en toonde hun wat hun zonde verdiende. Toen heeft hij sommigen, die hardnekkiger waren dan de anderen, en geschikt waren om tot een afschrikkend voorbeeld gesteld te worden, genomen, en "sloeg hen," dat is: hij gaf bevel dat zij door de daartoe bevoegde beambten geslagen zouden worden overeenkomstig de wet, Deuteronomium 25:2,3. En daaraan heeft hij nog een ander merkteken van schande gevoegd, hij plukte hun het haar uit, sneed of schoor het af, want aldus kan het worden verstaan. Misschien waren zij trots geweest op hun haar, en heeft hij het daarom weggenomen om hen te ontsieren en te vernederen en te schande te maken, het was ook werkelijk om hen te brandmerken, tenminste voor een tijd. Ezra heeft in dit geval zichzelf het haar uit zijn hoofd getrokken in heilige smart over de zonde. Nehemia plukte hun het haar uit in heiligen toorn tegen de zondaren. Zie het verschil van karakter in wijze, Godvruchtige, zegenrijke mensen, en de verschillende genade, zowel als de verschillende gaven van dezelfde Geest.
3. Hij verplichtte hen om niet weer zulke vrouwen te nemen, en scheidde haar, die zij genomen hadden, van hen af. Hij reinigde hen van alle vreemden, zowel van mannen als van vrouwen, vers 30, en deed hen onder ede beloven zulks niet weer te doen, vers 25. Aldus beproefde hij alle wegen en middelen om dit kwaad te stuiten, en een wederinstorting in die ziekte te voorkomen. 4. Hij droeg bijzonder zorg voor de gezinnen van de priesters, dat zij niet onder deze schuld, deze schandvlek zouden komen. Na een ingesteld onderzoek bevond hij, dat een lid van het gezin van de hogepriester zelf, één van zijn kleinzonen, een dochter van Sanballat had gehuwd, van die bekende vijand van de Joden, Hoofdst. 2:10, 4:1, en zich dus feitelijk aan de belangen van de Samaritanen had verbonden, vers 28. Hoe weinig liefde had die man, hetzij voor God of voor zijn land, die zich in plicht en belang tot een vriend kon maken van hem, die van beide een gezworen vijand was. Het schijnt dat deze jonge priester zich niet van zijn vrouw had willen scheiden, en daarom joeg Nehemia hem van zich weg, ontzette hem uit zijn ambt en verklaarde hem voor altijd onbevoegd om het priesterambt te bedienen. Josefus zegt dat deze uitgestoten priester Manasse was, en dat hij, toen Nehemia hem wegdreef, tot Sanballat, zijn schoonvader, ging, die hem een tempel bouwde op de berg Gerizim, gelijk aan die te Jeruzalem, hem beloofde dat hij er de hogepriester van zou zijn, en dat toen de grondslag gelegd werd van de pretenties van de Samaritanen die voortduurden tot aan de tijd van Christus Johannes 4:20. "Onze vaders hebben op deze berg" "aangebeden." Nadat Nehemia aldus een had uitgeworpen, die de eer van het priesterschap had verbeurd, bestelde hij wederom de wachten van de priesteren en van de Levieten, elk op zijn werk, vers 30. Het was geen verlies voor hen om te scheiden van één, die de schande was van hun orde, het werk zal beter gedaan worden zonder hem. Toen Judas uitgegaan was, zei Christus: "Nu is de" "Zoon des mensen verheerlijkt," Johannes 13:30, 31.
Eindelijk. Wij hebben hier Nehemia's gebeden bij deze gelegenheid.
A. Hij bidt: Gedenk aan hen, mijn God, vers 29. "Heere, overtuig en bekeer hen, herinner hen aan hetgeen zij behoren te zijn en te doen, opdat zij tot zichzelf mogen komen." Of, "Gedenk aan hen om met hen af te rekenen er voor, gedenk het tegen hen." Als wij het zo opvatten, dan is dit gebed een profetie, dat God het tegen hen zal gedenken. Zij, die het priesterschap verontreinigen, verachten God en zullen licht geacht worden. Misschien waren zij te talrijk en te machtig voor hem om met hen te handelen naar zij het verdienden. "Heere," zegt hij, "handel Gij met hen, neem het werk in Uw eigen handen."
B. Hij bidt: Gedenk mij, mijn God, ten goede, vers 31. De beste diensten, gedaan voor het publiek, zijn soms vergeten geworden door hen, voor wie zij gedaan werden, Prediker 9:15, daarom wendt Nehemia zich tot God zelf om hem te belonen, neemt Hem aan als zijn betaalmeester, en zo twijfelt hij niet of hij zal goed beloond worden. Dit kan wel de korte inhoud zijn van onze beden, meer behoeven wij niet om ons gelukkig te maken: Gedenk mij, mijn God, ten goede.