Johannes 14:15-17
Christus stelt hun niet slechts dingen voor, die troostrijk voor hen kunnen wezen, maar Hij belooft hun den Geest te zenden, die hun Trooster wezen zal, en die dingen tot hun hart zal doen doordringen.
I. Hij doet dit echter voorafgaan door ene herinnering aan hun plicht, vers 15. Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijne geboden. Het houden van Christus' geboden wordt hier gesteld voor het beoefenen der Godzaligheid in het algemeen, en voor de getrouwe en ijverige vervulling van het apostelambt in het bijzonder. Merk nu op:
1. Als Christus hen vertroost, zegt Hij hun Zijne geboden te houden, want wij moeten niet anders troost verwachten dan in den weg des plichts. Hetzelfde woord (parakaleoo) betekent zowel vermanen als vertroosten.
2. Als zij er in zorg over waren wat zij zouden doen, nu hun Meester hen ging verlaten, en wat er van hen worden zou, zegt Hij hun Zijne geboden te houden, en dan zal er niets verkeerd met hen gaan. In moeilijke tijden moet onze zorg betreffende de gebeurtenissen van den dag verzwolgen worden door de zorg omtrent den plicht van den dag.
3. Toen zij hun liefde voor Christus aan den dag legden door hun smart bij de gedachte aan Zijn heengaan, zegt Hij hun dat, zo zij Hem hun liefde willen tonen, het te doen, niet door zwakke, wekelijke hartstochtelijkheid, maar door hun nauwgezette zorg om den plicht, die hun was opgelegd, te volbrengen, door een algemene gehoorzaamheid aan Zijne geboden. Dat is beter dan offerande, beter dan tranen. Hebt gij Mij lief? weid Mijne lammeren.
4. Toen Christus hun kostelijke beloften heeft gegeven omtrent de verhoring hunner gebeden en de komst van den Trooster, stelt Hij dit als beperking der beloften: "Mits gij uit een beginsel van liefde tot Mij Mijne geboden houdt". Christus wil van niemand de Voorspraak wezen dan van hen, die door Hem als hun Raadsman geleid en geraden willen worden. Volg de leiding van den Geest en gij zult de vertroosting hebben van den Geest.
II. Hij belooft hun dezen groten, onuitsprekelijken zegen, vers 16, 17.
1. Hun wordt beloofd, dat zij een anderen Trooster zullen hebben. Dat is de grote Nieuw Testamentische belofte, Handelingen 1:4, gelijk die van den Messias het was van het Oude Testament, ene belofte, passende voor de droefheid en benauwdheid, waarin de discipelen zich nu bevonden. Hun hart was vervuld van smart, en dus hadden zij een trooster nodig. Merk hier op:
a. Den beloofden zegen, allon paraklêton. Het woord wordt alleen hier in de redenen of gesprekken van Christus gebruikt en in 1 Johannes 2:1, waar wij het overzetten door Voorspraak. De Rhemisten en Dr. Hammond zijn er voor om het Griekse woord Parakleet te behouden, wij lezen in Handelingen 9:31 van de paraklêsis tou hagion pneumatos, de vertroosting des Heiligen Geestes, waarin geheel Zijn ambt als Parakleet ligt opgesloten. Gij zult een anderen Voorspraak hebben. Het ambt des Geestes was Christus' Voorspraak te zijn bij hen en anderen, Zijne zaak te bepleiten, voor Zijne belangen te zorgen op aarde, Christus' Plaatsvervanger te zijn, zoals een der ouden Hem noemt, en om hun Voorspraak te wezen bij hun tegenstanders. Zolang Christus bij hen was, heeft Hij voor hen gesproken als dit nodig was, maar nu Hij hen verlaat, zullen zij toch niet verslagen of terneder geworpen worden, de Geest des Vaders zal in hen spreken, Mattheus 10:19, 20. En het kan niet mislopen met ene zaak, die door zulk een Voorspraak wordt bepleit. Gij zult een anderen Meester of Leraar hebben, een anderen Vermaner. Zolang Christus met hen was, heeft Hij hen vermaand en opgewekt tot hun plicht, maar nu Hij heengaat, laat Hij hun Een, die dat even krachtig, hoewel in stilte, doen zal. Jansenius denkt, dat het meest gepaste woord, waardoor het overgezet kan worden, het woord Schutsheer is. Een die hen zowel onderwijzen als beschermen zal. Een anderen Trooster. Christus werd verwacht als de Vertroosting Israël's. Een der namen van den Messias onder de Joden was Menachem -de Trooster. De Targoem noemt den dag van den Messias: het jaar der vertroosting. Christus vertroostte Zijne discipelen toen Hij met hen was, en nu Hij hen in hun grootsten nood verlaat, belooft Hij hun een anderen Trooster.
b. Den Gever der zegening. De Vader zal Hem geven, Mijn Vader en uw Vader, beiden zijn er in opgesloten. Dezelfde, die den Zoon heeft gegeven om onze Zaligmaker te wezen, zal ons den Geest geven om onze Trooster te zijn. De Zoon wordt gezegd den Trooster te zenden, Hoofdstuk 15:26, maar de Vader is de eerste Bewerker er van.
c. Hoe die zegen wordt verkregen-door de voorbede van den Heere Jezus, Ik zal den Vader bidden. In vers 14 had Hij gezegd: Ik zal het doen, hier zegt Hij: Ik zal er om bidden, om te tonen niet slechts, dat Hij God en mens is, maar ook, dat Hij Koning en Priester is. Als Priester is Hij verordineerd om voorbede te doen voor de mensen, als Koning is Hij door den Vader gemachtigd om gerechtigheid te oefenen. Als Christus zegt: Ik zal den Vader bidden, veronderstelt dit niet, dat de Vader onwillig is, of dat er aandrang bij Hem gebruikt moet worden, maar alleen dit: dat de gave des Geestes ene vrucht is van Christus' middelaarschap, verkregen door Zijne verdienste, en door Zijne voorbede tot ons komende.
d. Het blijvende van dien zegen: Opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. Dat is: "Bij u, zolang gij leeft. Gij zult nooit het gemis kennen van een Trooster, noch Zijn heengaan betreuren, zoals gij nu over Mijn heengaan treurt". Bij het verlies van die vertroostingen, die ons voor een tijd waren toebeschikt, moet het ons tot steun en sterkte wezen, dat er altijd in blijvende vertroosting voor ons voorzien is. Het was hun niet nut, dat Christus naar het lichaam altijd bij hen zou wezen, want zij waren bestemd voor openbaren dienst, en moeten niet altijd aan de academie blijven, zij moeten zich verspreiden, en daarom was een Trooster, die met hen allen wezen zou, en aan alle plaatsen, waar zij ook heen verspreid werden, en in welke moeilijkheden zij zich zouden bevinden, alleen geschikt om altijd bij hen te blijven. "Met uwe opvolgers, als gij heengegaan zult zijn en tot aan het einde des tijds, uwe opvolgers in het Christendom, in de Evangeliebediening. Indien wij de woorden in der eeuwigheid in hun uitgestrektste betekenis opvatten, dan zal de belofte vervuld worden in de vertroostingen Gods, welke de eeuwige blijdschap zullen uitmaken van al de heiligen-verzadiging der vreugde, lieflijkheden aan Gods rechterhand, eeuwiglijk.
2. De Trooster is de Geest der waarheid, welken gij kent, vers 16, 17. Zij zouden denken, dat het onmogelijk is een trooster te hebben, gelijkwaardig met Hem, die de Zoon van God is. "Ja", zegt Christus, "gij zult den Geest Gods hebben, die in heerlijkheid en macht gelijk is aan den Zoon". a. De beloofde Trooster is de Geest, een die Zijn werk op geestelijke wijze doen zal, inwendig, onzichtbaar door op den geest der mensen te werken.
b. "Hij is de Geest der waarheid. Hij zal waar en trouw zijn voor u, en in Zijn werk en onderneming voor u, dat Hij tot het uiterste zal volbrengen. Hij zal u de waarheid leren, uwen geest verlichten door de kennis er van, uw geloof er aan versterken en bevestigen, en uwe liefde er voor doen toenemen. De heidenen waren door hun afgoderijen, en de Joden door hun overleveringen of inzettingen der ouden, in grove dwalingen vervallen, maar de Geest der waarheid zal u niet slechts in alle waarheid leiden, maar door uwe bediening ook anderen. Christus is de waarheid, en Hij is de Geest van Christus, de Geest, waarmee Hij gezalfd was.
c. Hij is Een, welken de wereld niet kan ontvangen, maar gij kent Hem. Daarom blijft Hij bij ulieden. De discipelen van Christus worden hier onderscheiden van de wereld, want zij zijn verkoren en geroepen uit de wereld, die in het boze ligt, zij zijn de kinderen en erfgenamen van een andere wereld, niet van deze. Het is het ongeluk van hen, die onverwinlijk gehecht zijn aan de wereld, dat zij den Geest der waarheid niet kunnen ontvangen. Van den geest der wereld en den Geest Gods wordt gesproken als volstrekt tegenover elkaar staande, 1 Corinthiërs 2:12, want waar de geest der wereld de bovenhand heeft, is de Geest Gods buitengesloten. Hoewel zelfs de oversten dezer wereld, als oversten of vorsten, het voordeel en voorrecht hadden van kennis, gingen zij toch als oversten of vorsten dezer wereld, gebukt onder onverwinbare vooroordelen, zodat zij de dingen des Geestes Gods niet gekend hebben, 1 Corinthiërs 2:8. De mensen kunnen den Geest der waarheid niet ontvangen, omdat zij Hem niet zien en niet kennen. De vertroostingen des Geestes zijn hun dwaasheid, evenzeer als het kruis van Christus hun dit was, en de grote dingen des Evangelies worden, evenals die der wet, als iets vreemds geacht. Dat zijn oordelen, die ver buiten het bereik hunner ogen zijn. Spreek tot de kinderen dezer wereld van de werkingen des Geestes, en gij zijt hun als een barbaar. De beste kennis van den Geest der waarheid is die, welke door ervaring wordt verkregen.
Gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. Christus had bij hen gewoond, was bij hen gebleven, en door hun bekendheid met Hem kon het niet anders, of zij moesten ook den Geest der waarheid kennen. Zij waren zelven in zekere mate met den Geest begiftigd. Wat heeft hen in staat gesteld om alles te verlaten om Christus te volgen en met Hem te blijven in Zijne verzoekingen? Wat heeft hen in staat gesteld om het Evangelie te prediken en wonderen te werken? Was het niet de Geest, die in hen woonde? De ervaringen der heiligen zijn de verklaringen der beloften, wat voor anderen paradoxen zijn, zijn voor hen axioma's. Zij, die een bevindelijke kennis hebben van den Geest, hebben een troostrijke verzekerdheid van Zijn blijven bij hen. Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn, want de gezegende Geest pleegt niet van woonstede te veranderen. Zij, die Hem kennen, weten Hem te waarderen, zij nodigen Hem en heten Hem welkom, en daarom zal Hij in hen zijn, als het licht in de lucht, als het sap in den boom, als de ziel in het lichaam. Hun gemeenschap met Hem zal innig, en hun eenheid met Hem onafscheidelijk zijn. De gave des Heiligen Geestes is een bijzondere, eigenaardige gave, aan de discipelen van Christus geschonken op een bijzondere wijze-aan hen, niet aan de wereld, voor hen is het verborgen manna en een witte keursteen. Gene vertroostingen zijn te vergelijken bij die, welke geen vertoning, geen gedruis maken. Dat is de gunst, die God Zijn uitverkorenen betoont, het is het erfdeel van hen, die Zijn naam vrezen.