1 Thessalonicenzen 2:13-16
Merk hier op:
I. De apostel vermeldt de gevolgen van zijne bediening onder de Thessalonicenzen, vers 13 en wel:
1. De wijze waarop zij het Woord Gods ontvangen hebben, Als gij het woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, hebt gij dat aangenomen niet als der mensen woord, maar, gelijk het waarlijk is, als Gods woord, vers 13.
A. Het woord des Evangelies wordt verkondigd door mensen gelijk wij zijn, mensen met dezelfde zwakheden en gebreken als de anderen, Wij hebben dezen schat in aarden vaten. Het woord van God, dat deze Thessalonicenzen ontvingen, hoorden zij van de apostelen.
B. Echter is het in waarheid Gods woord. Dit was het woord door de apostelen door goddelijke ingeving verkondigd, en dat is het woord dat zij door goddelijke ingeving in schrift nagelaten hebben, en dat is het woord hetwelk in onze dagen gepredikt wordt, want dat bevat, en is met bewijzen gegrond op, en is ontleend aan de heilige Schriften.
C. Zij zijn grotelijks te bestraffen, die hun eigen verzinselen of uitleggingen uitgeven voor het woord van God. Dit is de schandelijkste wijze om een volk te verwarren en ontrouw te behandelen.
D. Ook zijn zij zeer te bestraffen, die, het woord horende, niet verder zien dan de bediening door mensen, of de woorden van mensen, zij, die alleen of voornamelijk gehecht zijn aan schoonheid van stijl, of sierlijkheid van zinsbouw, of stem en wijze waarop gepredikt wordt, en daaruit enig voordeel verwachten.
E. Wij moeten het woord van God ontvangen als Gods woord, met de genegenheid verschuldigd aan Zijn heiligheid, wijsheid, waarheid en goedheid. De woorden van mensen zijn zwak en vergankelijk, gelijk zij zelven, en meermalen vals, dwaas en leugenachtig, maar Gods woord is heilig, getrouw, wijs en recht en zal, gelijk zijn spreker, in eeuwigheid blijven. Laat ons het als zodanig aannemen en achten.
2. De wondervolle uitwerking van het door hen aangenomen woord. Dat ook werkt in u die gelooft. Dezen, die het woord aannemen, ondervinden dat het werkt. Het doet goed aan degenen, die in oprechtheid wandelen, en door zijn wonderlijke werking bewijst het zelf Gods woord te zijn. Het bekeert hun ziel, verlicht hun verstand, verheugt hun hart, Psalm 19, en zij, die het inwendig getuigenis van de waarachtigheid der heilige Schrift, het Woord Gods, hebben, bezitten daarin voor zich zelven het beste bewijs van zijn goddelijken oorsprong, ofschoon dat niet voldoende is om anderen te overtuigen, die er vreemd tegenover staan.
II. Hij vermeldt de goede uitwerking, welke deze gezegende prediking had.
1. Op hem zelven en zijne medearbeiders. Het was een voortdurende reden van dankzegging. Daarom danken wij ook God zonder ophouden, vers 13. De apostel drukt zijn dankbaarheid aan God om deze reden zo dikwijls uit, dat hij, naar `t schijnt, meent God nooit genoeg te kunnen danken omdat Hij hem getrouw gemaakt heeft en in de bediening gesteld, en daarna zijn werk vrucht heeft doen dragen.
2. Op hen. Het woord wrocht krachtig in hen, niet alleen om voor anderen voorbeelden in geloof en goede werken te zijn (hetgeen hij vroeger vermeld had), maar evenzo in standvastigheid en lijdzaamheid onder moeiten en lijden voor de zaak des Evangelies. Gij zijt navolgers geworden der gemeenten Gods, die in Judea zijn, en hebt hetzelfde geleden als zij, vers 14, en met gelijken moed, met gelijke standvastigheid, lijdzaamheid en hoop. Het kruis is des Christens onderscheidingsteken, indien wij tot lijden geroepen worden, worden wij alleen geroepen om navolgers te zijn van de gemeenten Gods, want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn, Mattheus 5:12. Het is een goede uitwerking van het Evangelie, wanneer wij waardig geacht worden er voor te lijden. De apostel noemt het lijden van de gemeenten Gods, welke in Judea zijn in Christus Jezus. Die in Judea hoorden het eerst het Evangelie en waren ook de eersten, die er voor leden, want de Joden waren de bitterste vijanden van het Christendom en voornamelijk woedend tegen hun landgenoten, die het Christendom omhelsd hadden. Bittere ijver en vinnige vervolging zet landgenoten tegen elkaar op en verbreekt alle natuurlijke banden zowel als zij alle regelen van godsdienst onder den voet treedt. In elke stad, waar de apostel predikte, hitsten de Joden de ingezetenen tegen hem op. Zij waren in alle plaatsen de belhamels der vervolging, en met name in Thessalonica, Handelingen 17:5. Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad. Bij deze gelegenheid geeft de apostel een tekening van de ongelovige Joden, vers 15, genoeg om hun eindelijke verwerping, de verwoesting van hun stad, en tempel, en volk, welke aanstaande waren, te rechtvaardigen.
A. Zij hebben gedood den Heere Jezus, en aanmatigend en roekeloos gewenst, dat Zijn bloed over hen en hun kinderen komen mocht.
B. Zij doodden hun eigen profeten, zo deden zij en zo hadden hun vaderen gedaan, zij waren een vervolgend geslacht.
C. Zij haatten de apostelen, en deden hun zoveel leed als zij konden. Zij vervolgden hen en joegen hen van plaats tot plaats, en dat is geen wonder, indien zij den Heere Jezus doodden, dat ze zijn volgelingen vervolgden.
D. Zij behaagden God niet. Zij hadden nagenoeg alle gevoel voor godsdienst verloren en alle plichtgevoel jegens God. Het was een noodlottige vergissing van hen, te denken dat zij Gode een dienst deden door Zijn dienaren te doden. Moord en vervolging zijn afschuwelijk in Gods ogen en kunnen onder geen voorwendsel goed genoemd worden, zij zijn zo het tegenovergestelde van allen natuurlijken godsdienst, dat geen ijver voor enige ware of voorgewende instelling van godsdienst ze ooit kunnen verontschuldigen.
E. Zij waren allen mensen tegen. Hun vervolgingszin was een geest van tegenstand, tegen het licht der rede en tegen de menselijkheid, tegen het welzijn van alle mensen en tegen de gevoelens van alle mensen, die geen slaven van dweepzucht waren. F. Zij hadden ingekankerde vijandschap tegen de heidenen en benijdden hun de aanbieding van het Evangelie. Zij verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden, vers 16. De middelen tot zaligheid waren vroeger tot de Joden beperkt. De zaligheid is uit de Joden, zegt onze Zaligmaker. En zij waren jaloers van de heidenen en verbitterd, nu ook hun gelegenheid gegeven werd om deel te krijgen aan de zaligheid. Niets vertoornde hen meer dan hetgeen onze Zaligmaker over dit onderwerp hun gezegd had. De Joden te Jeruzalem werden woedend tegen Paulus, toen die in zijne verdediging, Handelingen 22:21, hun mededeelde dat hij tot de heidenen gezonden was. Zij hoorden hem geduldig aan tot deze woorden, maar toen konden zij het niet langer uithouden, doch verhieven hun stemmen en riepen: Weg van de aarde met zulk een! Het is niet behoorlijk dat hij leve! Zo vervulden de Joden hun zonden, en niets strekt voor een volk of een mens meer om de maat der zonden vol te maken dan verzet tegen het Evangelie, tegenwerking tegen zijn voortgang en verhindering van de zaligheid der zielen. Om deze redenen is de toorn over hen gekomen tot het einde, dat is: de toorn was over hen besloten en zou spoedig losbarsten. Niet vele jaren later werd Jeruzalem verwoest en aan het Joodse volk door de Romeinen een einde gemaakt. Wanneer de maat van iemands ongerechtigheid vol is en zijn zonden den hoogsten trap bereikt hebben, dan komt de toorn, en dat ook in den hoogsten graad.