1 Johannes 3:4-10
De apostel, na de verplichting van den gelovige te hebben vastgesteld op reinheid door de hoop op den hemel en op gemeenschap met Christus in heerlijkheid op den dag Zijner openbaring, gaat er nu toe over om nieuwe bewijsgronden tegen de zonde en tegen alle gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis aan te voeren. Hij ontleent die aan:
I. De natuur der zonde en haar innerlijk kwaad. Zij is een tegenspraak van de goddelijke wet. Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid, (of die de zonde doet pleegt afschuwelijkheid, dwaalt van de wet af) want de zonde is overtreding der wet (Engelse vertaling), of is wetteloosheid, vers 4. De zonde is de ontbinding of beroving van overeenkomst en gemeenschap met de goddelijke wet, de wet, die het uitvloeisel is van de goddelijke natuur en reinheid, die Zijn wil voor de regering der wereld bevat, die overeenstemt met een redelijke natuur en bedoeld is tot welzijn van de wereld, die den mens den weg tot geluk en vrede aanwijst en hem terugleidt tot Zijn Schepper en Wetgever. Maar het daarmee wedijverende doel van de zonde is de verwerping van de goddelijke wet en dus de verwerping van het goddelijk gezag, en daarmee van God zelven.
II. De bedoeling der zending van den Heere Jezus in en aan deze wereld, die was om de zonde weg te nemen. En gij weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen, en gene zonde is in Hem, vers 5. De Zoon van God verscheen en werd gezien in onze natuur, en Hij kwam om de Goddelijke wet na te leven en te vervullen, door gehoorzaamheid aan haar voorschriften en door onderwerping aan haar vloek, dien Hij droeg in Zijn lijden.
Hij is gekomen, opdat Hij onze zonden zou wegnemen, de schuld der zonden wegnemen door Zijne zelfofferande, het bedrijven der zonde wegnemen door ons een nieuwe natuur in te planten (want wij worden geheiligd uit kracht van Zijn dood) en door ons van haar los te maken en te redden door Zijn eigen voorbeeld.
En gene zonde was in Hem, Hij neemt de zonden weg opdat wij Hem gelijkvormig mogen zijn, en in Hem is geen zonde. Zij, die gemeenschap met Christus hierboven verwachten, moeten zich benaarstigen om hier met Hem gemeenschap te hebben in de grootste reinheid. En de Christelijke wereld moet weten en overwegen, dat het grote doel van de komst van Gods Zoon was het wegnemen van onze zonden. En gij weet (deze wetenschap moet diep en levendig in u zijn) dat Hij geopenbaard is om onze zonden weg te nemen.
III. De tegenstelling van de zonde tegen een ware vereniging met en een oprecht aanhangen aan den Heere Christus. Een iegelijk, die in Hem blijft, zondigt niet, vers 6. Zondigen is hier hetzelfde als zonde doen in vers 8, 9, zonde doen is zonde in praktijk brengen. Hij, die in Christus blijft, gaat niet voort in de praktijk der zonde. Gelijk de levende vereniging met den Heere Jezus de macht der zonde in ons hart en onze natuur verbrak, zo moet de voortgang daarin de regering en overheersing van de zonde in ons leven en onzen wandel verhinderen. Of de ontkennende uitdrukking is hier gebruikt voor de bevestigende. Hij zondigt niet, dat is: hij is gehoorzaam, hij houdt de geboden, in oprechtheid en in den gang van het dagelijks leven, en doet hetgeen Hem welbehaaglijk is, (als in vers 22). Zij, die in Christus blijven, blijven in het verbond met Hem, en waken bijgevolg tegen de zonde, die daar het tegenovergestelde van is. Zij blijven in het werkzaam licht en de kennis van Hem, en daaruit kan opgemaakt worden, dat hij die zondigt, (hij die in de overheersende praktijk van de zonde blijft) Hem niet gezien heeft (in zijn ziel niet den indruk van een gezond-evangelische voorstelling van Hem heeft ontvangen), en Hem niet gekend, heeft geen ondervindelijke gemeenschap met Hem. Praktische verloochening van de zonde is het grote bewijs van geestelijke vereniging met, van blijven in, en zaligmakend kennen van den Heere Christus.
IV. De band, die bestaat tussen de praktijk der rechtvaardigheid en den staat der rechtvaardigheid, waardoor aangetoond wordt dat de praktijk der zonde en een staat van rechtvaardigheid onverenigbaar met elkaar zijn, en dat wordt ingeleid met de voorstelling, dat een gedachte van het tegendeel een groot zelfbedrog is. Kinderkens, mijn dierbare kinderen, dat u niemand verleide! Gij zult mensen ontmoeten, die uw nieuwe licht en het onderhouden van het Christendom zeer verheerlijken, maar u zullen wijsmaken dat uw kennis, belijdenis en doop u ontslaan van de zorg en nauwgezetheid van het Christelijk leven. Weest op uw hoede tegen dat zelfbedrog! Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig. Naar het schijnt betekent in vele plaatsen der Schrift rechtvaardigheid hetzelfde als godsdienst, b.v. Mattheus 5:10 :Zalig zijn zij, die vervolgd worden om der gerechtigheid wil, dat is ten oorzake van den godsdienst, 1 Petrus 3:14 :Maar indien gij lijdt om der gerechtigheid wil (om den godsdienst) zo zijt gij zalig, 2 Timotheus 3:16 :Alle Schrift, of de gehele Schrift, is van God ingegeven en is nuttig.... tot onderwijzing in de rechtvaardigheid, in de kennis en de praktijk van den godsdienst. De rechtvaardigheid doen is dus bepaald gesteld tegenover het doen, bedrijven, in praktijk brengen van de zonde, den godsdienst in praktijk brengen. Hij, die den godsdienst beoefent, is rechtvaardig, hij is in alle opzichten een rechtvaardig mens, hij is oprecht voor God. De praktijk van den godsdienst kan niet bestaan zonder een beginsel van oprechtheid en geweten. Hij bezit die rechtvaardigheid, welke bestaat in vergeving van zonden en recht om te leven, voortkomende uit de ingeplante gerechtigheid van den Middelaar. Hij heeft recht op de kroon der rechtvaardigheid, welke de rechtvaardige Rechter zal geven, overeenkomstig Zijn verbond en Zijne belofte, aan allen die Zijne verschijning hebben liefgehad, 2 Timotheus 4:8. Hij heeft gemeenschap met Christus in overeenstemming met de heilige wet en is in zeker opzicht praktisch rechtvaardig gelijk Hij, en hij heeft gemeenschap met Hem in den staat van rechtvaardiging, want hij is met Hem betrekkelijk rechtvaardig.
V. De betrekking tussen den zondaar en den duivel, en naar aanleiding daarvan het doel en de bediening van den Heere Christus tegen den duivel.
1. De betrekking tussen den zondaar en den duivel. Gelijk elders worden zondaren en heiligen van elkaar onderscheiden (ofschoon ook de heiligen zondaren zijn, die zo genoemd worden), zo is de zonde doen hier haar in praktijk brengen zoals onbekeerden doen. Zij zijn van de heiligen onderscheiden doordien zij leven onder de macht en heerschappij der zonden, en die dat doet is uit den duivel, zijn zondige natuur wordt geïnspireerd door en is welbehaaglijk aan den duivel, hij behoort tot de partij, de belangen en het koninkrijk van den duivel. Hij is de bewerker en de heer der zonde, hij heeft haar in praktijk gebracht, hij is de verzoeker en verleider van den beginne. En daarom redeneert de apostel:
2. Van het doel en de bediening van den Heere Christus tegen den duivel. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou, vers 8. De duivel heeft bedoeld en getracht het werk Gods in de wereld te verwoesten. De Zoon van God heeft den heiligen oorlog tegen hem geopend. Hij kwam in onze wereld en werd geopenbaard in ons vlees, opdat Hij den duivel zou overwinnen en zijne werken tenietdoen. De zonde zal Hij meer en meer vernietigen, totdat Hij haar ten laatste geheel verdaan heeft. Laat ons niet verderven of toelaten wat de Zoon van God kwam tenietdoen.
VI. De betrekking tussen wedergeboorte en het verdoen der zonde. Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet. Uit God geboren zijn is innerlijk vernieuwd zijn en hersteld. tot een heilige oprechtheid of vernieuwing van natuur door de macht van den Geest Gods. Die doet de zonde niet, werkt geen onreinheid, brengt geen ongehoorzaamheid in praktijk, want die is strijdig met zijn nieuwe natuur en de wedergeboorte van zijn geest.
Want, gelijk de apostel er bijvoegt: zijn zaad blijft in hem, dat is het woord Gods met Zijn licht en kracht blijft in hem (zoals in Pet. 1:23 staat: Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad door het levend en eeuwig blijvend woord van God) Wat uit den Geest geboren is, is geest. Het geestelijk beginsel van het zaad der heiligheid blijft in hem. Vernieuwende genade is een blijvend beginsel. De godsdienst, in zijn beginsel, is geen kunst, verkregen door oefening en handigheid, maar een nieuwe natuur. En daarvan is het gevolg, dat de wedergeborene niet kan zondigen. Dat hij geen enkele zondige daad kan bedrijven, zal naar ik meen, geen oordeelkundig uitlegger hieruit verstaan. Dit zou in tegenspraak zijn met Hfd. 1:9, waar het ons ten plicht gesteld wordt onze zonden te belijden, en gezegd wordt dat ze daarop vergeven worden. Hij kan niet zondigen, in den zin waarin de apostel zegt: Hij kan de zonde niet doen. Hij kan niet voortgaan in een leven en in de praktijk der zonde. Hij kan niet zo zondigen dat men hem een zondaar moet noemen in tegenstelling met een heilige of dienstknecht van God. Daarbij: betrekkelijk kan hij niet zondigen, zoals hij deed alvorens hij uit God geboren was, of als zij doen, die niet uit God geboren. En de reden daarvan is: want hij is uit God geboren, het wordt hem daardoor belet en verhinderd.
1. Hij heeft het licht in zijn ziel, dat hem het kwaad en de slechtheid der zonde toont.
2. Op zijn hart is dat beslag, waardoor hij de zonde haat en verafschuwt.
3. Er is het beginsel van geestelijk zaad, dat de kracht en volle openbaring van zondige handelingen verbreekt. Zij hebben niet meer zulk een volkomen macht van bederf als op anderen, en verkrijgen niet zulke volkomen instemming van hart en gemoed als bij de anderen. De geest begeert tegen het vlees. En daarom kan betreffende zulke zonden gezegd worden: Ik ben het niet meer die dat doet, maar het is de zonde, die in mij woont. Naar de beschouwing des Evangelies worden zij niet meer gerekend de zonden te zijn van den mens die zondigt, indien de gehele begeerte van ziel en verstand er tegen ingaat.
4. Er is neiging tot verootmoediging en berouw over de zonden, wanneer die bedreven zijn. Die uit God geboren is, kan niet zondigen. Hier mogen wij ons het gewone onderscheid tussen natuurlijke en zedelijke onmacht herinneren. De onwedergeborene is zedelijk onmachtig tot enig godsdienstig goed. De wedergeborene is onmachtig om te zondigen. Op zijn zondige vermogens is beslag gelegd. Hij kan niet willens en met voorbedachten rade zondigen. Wij zijn gewoon van iemand van beproefde eerlijkheid te zeggen: Hij kan niet liegen of bedriegen, hij kan zulke schandalen niet doen. Hoe zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God? Genesis 39:9. En dus tonen zij, die voortgaan in een zondig leven, overtuigend dat zij niet uit God geboren zijn. VII. Van het onderscheid tussen de kinderen Gods en de kinderen des duivels. Zij hebben ieder verschillende karaktertrekken. Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar, vers 10. In de wereld zijn zij volgens de oude onderscheiding, het zaad van God en het zaad der slang. Het zaad der slang kan men kennen aan deze twee karaktertrekken.
1. Zij verwaarlozen den godsdienst. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet (de rechten en plichten jegens God verzuimt en veronachtzaamt, want de godsdienst is niet meer dan onze rechtvaardigheid jegens God, waardoor wij Hem het Hem verschuldigde geven, en wie dat niet met nauwgezet geweten doet, handelt niet rechtvaardig) is niet uit God, maar integendeel uit den duivel. De duivel is de vader van de onrechtvaardige en ongodsdienstige zielen.
2. Zij haten hun medechristenen. En die zijn broeder niet liefheeft, vers 10. Ware Christenen moet men liefhebben ter wille van God en Christus. Zij, die hen niet liefhebben, maar verachten, en haten en vervolgen, hebben de natuur der slang in zich blijvende.