Spreuken 6:6-11
In deze verzen wendt Salomo zich tot de luiaard, die zijn gemak liefheeft, in ledigheid zijn dagen doorbrengt, op geen zaken, geen werk, achtslaat, en in het bijzonder zorgeloos is omtrent de Godsdienst. Luiheid leidt even gewis tot armoede als roekeloos borg blijven, hoewel die weg er heen niet zo kort is.
Hij spreekt hier tot de luiaard.
I. Bij wijze van onderricht, vers 6-8. Hij zendt hem naar school, want luiaards moeten onderwezen worden. Hij brengt hem zelf naar school, garant als de leerling zich geen moeite wil geven, dan moet de meester zoveel te meer moeite doen. De luiaard wil niet bij hem ter school gaan, dromende leerlingen zullen nooit van wakkere leermeesters houden, en daarom heeft hij een andere school voor hem gevonden, zo'n lage school als hij slechts kan wensen. Let op:
1. De onderwijzer, bij wie hij ter school wordt gezonden: Ga tot de mier, tot de bij aldus de LXX. De mens is geleerder dan de beesten van de aarde en wijzer dan het gevogelte des hemels, maar hij is zo ontaard, dat hij van de geringste insecten wijsheid kan leren en door hen beschaamd kan worden gemaakt. Als wij de verwonderlijke schranderheid van de mindere schepselen opmerken, dan moeten wij niet alleen aan de God van de natuur eer geven, die hen aldus wonderlijk gemaakt heeft, maar voor onszelf onderricht ontvangen, door de gewone dingen uit een geestelijk oogpunt te bezien, kunnen wij ons de dingen Gods begrijpelijk maken en er gemeenzaam mee bekend worden.
2. De inspanning van de geest, die gevorderd wordt om van deze onderwijzer te kunnen leren. Zie, overdenk, haar wegen. De luiaard is lui omdat hij niet overdenkt, niet nadenkt. En nooit zullen wij, hetzij uit de werken of uit het Woord van God, iets met goed gevolg leren, tenzij wij er ons toe zetten om er over na te denken. Wij moeten, inzonderheid als wij anderen willen navolgen in hetgeen goed is, hun wegen zien en overdenken, naarstig letten op hetgeen zij doen, opdat wij evenzo doen, Filipp. 3:17.
3. De les, die geleerd moet worden. In het algemeen: leer wijsheid, overdenk en word wijs, dat is de zaak, die wij bij al ons leren op het oog moeten hebben, niet alleen om kennis te verkrijgen, maar om wijs te wezen. In het bijzonder: Leer brood te bereiden in de zomer, dat is:
a. Wij moeten zorgen voor hiernamaals, en niet slechts denken aan het heden, niet alles opeten en niets opleggen, maar in de tijd van vergaderen opleggen voor de tijd van uitgeven. Zo zorgzaam moeten wij wezen in onze wereldlijke aangelegenheden, niet met angstige bezorgdheid, maar met een verstandig vooruitzien, opleggen voor de winter, voor moeilijke tijden en voorkomende behoeften, en voor de oude dag. En nog veel meer voor de zaken van onze ziel. Wij moeten brood, spijs, bereiden, hetgeen degelijk is, ergens toe deugt. Bij het genieten en gebruik maken van de middelen van de genade moet gij voorzien voor de tijd, wanneer gij er gebrek aan hebt, in het leven voor de dood, in de tijd voor de eeuwigheid, in de proeftijd en de tijd van voorbereiding moeten wij voorzien voor de tijd van de vergelding.
b. Wij moeten arbeiden en ons moeite geven in onze zaken ja, al werken wij ook onder ongerieflijke omstandigheden, namelijk in de zomer, als het weer heet is, dan is de mier bezig spijs te vergaderen en weg te brengen, dan geeft zij niet toe aan gemakzucht, dan denkt zij niet aan vermaak, zoals de sprinkhaan, die piept en dartelt in de zomer, maar in de winter omkomt. De mieren helpen elkaar, als de ene een graankorrel heeft, die te groot is voor haar om haar naar huis te dragen, dan komen de anderen haar te hulp.
c. Wij moeten de gelegenheden waarnemen, wij moeten spijs vergaderen als zij te verkrijgen is, zo als de mier het doet in de zomer en in de oogst, in de geschikte tijd. Het is onze wijsheid om gebruik te maken van de tijd, terwijl die ons gunstig is, omdat datgene dan gedaan kan worden, wat op een andere tijd niet of niet zo goed gedaan kan worden. Wandelt, terwijl gij het licht hebt.
4. De voordelen, die wij hebben door deze les te leren, boven die welke de mier heeft en die onze luiheid en onachtzaamheid zullen verzwaren als wij onze tijd verluieren. Ze heeft geen gids, geen opzieners, geen heersers, maar handelt uit eigen beweging, het instinct van de natuur volgende, des te meer schande voor ons, die niet aldus de aanwijzingen volgen van ons verstand en geweten, hoewel wij daarenboven nog ouders, leermeesters, leraren en magistraten hebben, om ons te herinneren aan onze plicht, om ons te bestraffen voor het verzuimen ervan, ons er toe op te wekken, ons er in te leiden en te besturen, ons ter verantwoording ervan te roepen. Hoe meer hulp wij hebben voor het werken van onze eigen zaligheid, hoe minder te verontschuldigen wij zijn zo wij haar veronachtzamen.
II. Bij wijze van bestraffing, vers 9-11. In deze verzen:
1. Richt hij vermaningen tot de luiaard, hij bestraft hem, redeneert met hem, roept hem tot zijn werk, zoals een meester zijn dienstknecht, die zich verslapen heeft: "Hoelang zult gij, luiaard, slapen? Hoe lang zoudt gij willen slapen, als men u begaan liet? Wanneer zult gij vinden dat het tijd is om op te staan?" Luiaards moeten wakker geroepen worden met een: Hoelang? Dit is van toepassing,
a. Op hen, die traag zijn in hun werk en hun plicht in de plichten van hun bijzondere roeping als mensen, of van hun algemene roeping als Christenen. "Hoelang zult gij uw tijd verspillen, en wanneer zult gij hem beter besteden? Hoelang zult gij uw gemak liefhebben, en wanneer zult gij leren u zelf te verloochenen en u moeite te geven? Hoelang zult gij uw talenten begraven, en wanneer zult gij beginnen er handel mee te doen? Hoelang zult gij uitstellen, en verschuiven, en uw gelegenheden verbeuzelen, als een, die op het hiernamaals geen achtslaat, en wanneer zult gij uzelf opwekken om te doen wat gij te doen hebt, en dat, zo het niet gedaan wordt, u voor eeuwig rampzalig zal doen zijn?
b. Op hen, die gerust zijn op de weg van de zonde en van het gevaar. "Hebt gij nog niet lang genoeg geslapen? Is het niet reeds ver op de dag? Roept uw Meester u niet? Zijn de Filistijnen niet over u? Wanneer dan zult gij opstaan?"
2. Hij stelt in het licht hoe beuzelachtig zijn verontschuldigingen zijn, en toont aan hoe bespottelijk hij zich maakt. Als hij geroepen wordt rekt hij zich nog eens uit, en vraagt om nog een weinig slaap, alsof hij om een aalmoes vroeg. hij denkt nooit genoeg te hebben, en toch, als hij geroepen wordt, zegt hij dat hij zo dadelijk komen zal. Zo blijft het grote werk des mensen ongedaan, door nog een weinig uitgesteld te worden, "de die in diem van dag tot dag," en zo verliezen de mensen al hun tijd door het tegenwoordige ogenblik verloren te laten gaan, nog een weinig slapens blijkt een eeuwige slaap geworden te zijn, Slaap nu voort, en rust.
3. Hij waarschuwt hem getrouwelijk voor de gevolgen van zijn luiheid, vers 11..
a. Zo zal uw armoede u overkomen. Armoede zal gewis komen over hen, die traag en lui zijn in hun zaken, indien de mensen hun zaken veronachtzamen, dan zullen zij niet alleen niet vooruitgaan, maar zij zullen achteruitgaan, hij, die zijn zaken overhoop laat, zal ze spoedig te gronde zien gaan en zijn goed gaan verkwanselen. Geestelijke armoede komt over hen, die lui en traag zijn in de dienst van God, diegenen zullen gebrek hebben aan olie, als zij haar moeten gebruiken, die er hun vaten niet mee vullen.
b. "Zij zal stil en onmerkbaar over u komen, stap voor stap, als een wandelaar, maar komen zal zij ten laatste." Zij zal u zo naakt en bloot laten, alsof gij door een straatrover waart beroofd, aldus bisschop Patrick.
c. Zij zal onweerstaanbaar komen, als een gewapend man, die gij niet kunt weerstaan, voor wiens macht gij zult moeten zwichten.