Spreuken 30:24-28
Agur had vier dingen genoemd, die groot schijnen, maar in werkelijkheid verachtelijk zijn, hier noemt hij vier dingen, die klein zijn en toch zeer bewonderenswaardig zijn, groot in miniatuur, waarin hij, zoals bisschop Patrick opmerkt, ons verscheidene goede lessen leert, zoals:
1. Geen lichaamsgrootte te bewonderen, noch schoonheid, noch kracht, de mensen daar niet naar te schatten, er niet te beter om van hen te denken, maar de mensen te beoordelen neer hun wijsheid en hun gedrag, hun vlijt en het behartigen hunner zaken, want dat zijn hoedanigheden, die achting verdienen.
2. De wijsheid en macht te bewonderen van de Schepper in de kleinste en geringste dieren in een mier zo goed als in een olifant.
3. Onszelf te laken, die niet zo goed handelen voor onze eigen belangen als de geringste schepselen handelen voor de hunne.
4. Het zwakke van deze wereld niet te verachten er zijn van dezulken, die klein zijn op de aarde arm in de wereld, van weinig belang geacht worden, maar toch zeer wijs zijn, wijs voor hun ziel en voor een andere wereld, en deze zijn wijs, met wijsheid wel voorzien, wijsgemaakt boven hun naburen, door het bijzondere instinct van de natuur, allen, die wijs zijn tot zaligheid zijn door de genade van God wijs gemaakt. Die welke hij specificeert, zijn:
A. De mieren, kleine, zeer zwakke diertjes, en toch zijn zij zeer vlijtig in het vergaderen van geschikt voedsel, en zij hebben de verwonderlijke schranderheid om het te doen in de zomer, dit is zo sterk een blijk van wijsheid, dat wij van haar kunnen leren om wijs te zijn voor de toekomst, Hoofdst. 6:6. Als de verslindende leeuwen armoede lijden en hongeren, hebben de vlijtige mieren overvloed en kennen geen gebrek.
B. De konijnen, of, naar sommigen het liever verstaan, de Arabische muizen, veldmuizen, zwakke, zeer vreesachtige schepselen, die echter zoveel wijsheid hebben dat zij hun huis op de rotssteen bouwenen, waar zij goed beschut zijn, hun zwakheid maakt dat zij hun toevlucht nemen in deze natuurlijke sterkten. Het besef van onze nooddruft en zwakheid moet ons uitdrijven tot Hem, die een rotssteen is, hoger dan wij zijn, om bescherming en steun te vinden, laat ons daar onze woonstede maken.
C. De sprinkhanen, ook deze zijn klein en zij hebben geen koning, zoals de bijen, maar gaan allen uit, zich verdelende in groepen of troepen. Zij worden het grote leger van God genoemd, Joël 2:25, want als het Hem behaagt, monstert en rangschikt Hij ze, en gebruikt ze om oorlog te voeren zoals Hij er strijd door gevoerd heeft met Egypte. Allen bijeenvergaderd gaan zij uit, zo is de lezing van de kanttekening. Het besef van zwakheid moet ons dringen om ons aan elkaar te houden, ten einde elkanders handen te sterken.
D. De spin, een insect, maar een even groot voorbeeld van vlijt in onze huizen, als de mieren het zijn in het veld. Spinnen zijn zeer vernuftig in het weven van haar webben, met een fijnheid en nauwkeurigheid, die door geen kunst geëvenaard kan worden. Zij grijpen met haar handen en spinnen een fijne draad uit haar eigen ingewanden met zeer grote kunstvaardigheid, en zij bevinden zich niet slechts in de hutten van de armen, maar in de paleizen van de koningen, in weerwil van al de zorg, die genomen wordt om ze uit te roeien. Gods voorzienigheid houdt die soort van schepselen op wondervolle wijze in stand, voor welke de mensen niet slechts niet zorgen, maar tegen welke de hand van iederen mens is om ze te verdelgen. Zij, die acht willen geven op hun werk, en het grijpen met hun handen, zullen in de paleizen van de koningen zijn, vroeg of laat zullen zij bevorderd worden, en er mee voortgaan niettegenstaande de moeilijkheden en ontmoedigingen, die zij ondervinden. Als het ene goed gesponnen web weggevaagd wordt, maakt zij slechts plaats voor een andere.