Spreuken 29:4
1. Hier is het geluk van een volk onder een goede regering. De zorg en het werk van een vorst moeten zijn om het land slaande te houden, zijn fundamentele wetten te handhaven het hart van zijn onderdanen aan zich te verbinden, hen gerust te doen zijn, hun vrijheid en hun eigendom te beveiligen tegen vijandelijke aanvallen, en die ongeschonden te bewaren voor de nakomelingschap. Dit moet hij doen door het recht, door wijze raadslagen en door een vaste rechtsbedeling, zonder aanzien des persoons, waardoor deze goede uitkomsten verkregen worden.
2. De ellende van een volk onder een slechte regering, één, die de geschenken genegen is een man van de heffingen, zo is het in het oorspronkelijke verstoort het land, een man, die of heiligschennend, of bijgelovig is, of zich het priesterambt aanmatigt, zoals Saul en Uzzia, of een man, die niets anders op het oog heeft dan om geld te verkrijgen, en voor ruime steekpenningen de ogen sluit voor de grootste misdaden, en in de hoop op zulke steekpenningen de onschuldigen vervolgt, regeerders als deze bewerken de ondergang van een land.