Spreuken 29:24
Zie hier in wat een zonden en verderf diegenen zich dompelen, die door de vertakking van zondaren worden afgetrokken.
1. Zij brengen grote schuld over zich. Hij doet dit, die deelt met hen, die roven en bedriegen, lotgemeen met hen wordt, Hoofdst. 1:11. De heler is even slecht als de steler, en er toe gebracht zijnde om zich met hen te verenigen in het bedrijven van de zonde, kan hij er niet aan ontkomen, om zich met hem te verenigen in het verbergen ervan, al is het ook met de ontzettendste meineden en verwensingen. Zij horen vloeken, als zij beëdigd zijn om de volle waarheid te zeggen, maar zij willen niet bekennen.
2. Zij spoeden zich voort naar een algeheel verderf. Zij haten hun eigen ziel, want moedwillig doen zij hetgeen, dat er de onvermijdelijke verwoesting van zal zijn. Zie aan welke ongerijmdheden de zondaren zich schuldig maken: zij hebben de dood lief, die het verschrikkelijkst is van alles, en haten hun eigen ziel, die van alles het dierbaarste is.