Spreuken 28:3
1. Hier zien wij hoe hard arme lieden dikwijls voor elkaar zijn, niet alleen doen zij de goede diensten niet, die zij elkaar zouden kunnen bewijzen, maar zij bedriegen en verschalken elkaar. Zij, die uit eigen ervaring de ellende van de armoede kennen, moesten medelijden met hen hebben, die er onder lijden, maar zij zijn onvergeeflijk wreed, indien zij schadelijk voor hen zijn.
2. Hoe heerszuchtig en inhalig diegenen gewoonlijk zijn, die arm en nooddruftig waren, maar tot macht en aanzien zijn gekomen. Als een vorst een arme man verhoogt, vergeet deze spoedig dat hij ooit arm is geweest, en dan zal niemand zo hard en verdrukkend zijn voor de armen als hij, noch hen zo onbarmhartig uitzuigen. De hongerige bloedzuiger en de droge spons zuigen het hardst. Zet een bedelaar te paard, en hij zal meedogenloos rijden, hij is als een wegvagende regen, die het koren uit de grond wegspoelt, en hetgeen reeds opgegroeid is ter neerwerpt, zodat er geen brood is. Vorsten moeten daarom geen personen op posten van vertrouwen stellen, die arm zijn en schulden hebben, noch de zodanigen, die er bovenal op uit zijn om zich te verrijken.