Spreuken 28:16
I Er worden hier twee dingen aangeduid als de oorzaken van het slechte bestuur van vorsten.
1. De geldgierigheid, deze wortel van alle kwaad, want het haten van gierigheid is hier gesteld tegenover verdrukking, overeenkomstig Mozes beschrijving van een goed magistraat: God vrezende mannen, de gierigheid hatende, Exodus 18:21, zij zijn niet alleen niet gierig, maar haten de gierigheid en schudden hun handen uit, dat zij geen geschenken behouden. Een overste, die gierig is, zal noch rechtvaardig handelen noch barmhartigheid liefhebben, het volk onder hem zal gekocht en verkocht worden.
2. Gebrek aan nadenken. Die de gierigheid haat zal zijn regering en zijn vrede verlangen, zal gelukkig zijn in de genegenheid des volks en de zegeningen zijns Gods. Het is evenzeer het belang als de plicht van de vorsten om te regeren in gerechtigheid, daarom, zijn onderdrukkers en tirannen de grootste dwazen van de wereld, zij hebben gebrek aan alle verstand, zij gaan niet te rade met hun eer, hun gemak en hun veiligheid, maar offeren het alles op aan hun eerzucht om alleenheersers te zijn en willekeurige macht te bezitten. Zij zouden veel gelukkiger zijn in het hart des volks te bezitten dan in de macht om naar willekeur over hun leven en hun bezittingen te beschikken.