3. Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des eigenlievenden dwazen, die steeds in een kwaden luim is, en zich in zijne eer gekrenkt voelt, omdat hij niet geprezen maar veeleer berispt wordt, is zwaarder dan die beide; ja de zwaarste, ondragelijkste last, dien hij anderen zonder dit juist te willen, doet gevoelen.
Niets kan zeker het leven zo verbitteren als de kwade luim van een mens, die zich steeds beledigd en gekrenkt voelt. Hij is wel een rechte dwaas, die zulk een last op den bovendien dikwijls steilen levensweg op zijn rug neemt. Indien reeds ene enkele kwelling als een steen op ons drukt, zal dan niet ene bestendige gemelijkheid als een zak vol zandsteentjes ons tot den grond toe nederbuigen. Ieder heeft zeker zijne afwisselende gemoedsstemming, maar wee hem, die er door overheerst wordt. Voor treurigheid kan zich geen mens vrijwaren; daarin is ook nog een zekere toverkracht, ene poëzie, de gemelijkheid is van alle toverkracht ontbloot; zij is de echte proza van het leven, de zuster der verveling en der traagheid, die langzaam dodende gifmengster. De bron dezer ondeugd is allereerst (de hoogmoed daar buiten gelaten) de gewoonte, die de voedster van den mens in zijne ondeugden is. Indien wij van onze vroegste jeugd gewend waren, nooit te rusten, maar elk uur, dat na ernstige werkzaamheden overblijft, voor aangename, opwekkende bezigheden te besteden, totdat ons de natuur tot enen verkwikkenden slaap uitnodigt wij zouden steeds goed gezind zijn. Indien wij van jongs af gewend waren, de lieflijke morgenuren niet te verslapen, dan zouden wij die gemelijke lusteloosheid niet kennen, die meestal een gevolg is van de onaangename gewaarwording, die wij bij het ontwaken ontvangen, dat het reeds zo laat is. Waren wij van kindsbeen af gewend, om in hetgeen ons omringt ene aangename orde te brengen, dan zou deze in ons innerlijk ziele-leven enen welluidenden weerklank vinden. In ene opgeruimde kamer vindt men meestal een opgeruimd gemoed. Het hoofdvereiste echter in de kunst om zich voor kwaden luim te hoeden, bestaat in het kennen en gebruik maken van de juiste ogenblikken; de mens is niet altijd tot alles gezind, maar hij is wel altijd tot iets gezind. Godsdienst, ware Christelijke liefde zal het zekerst voor kwaden luim bewaren. Een gemoed, dat voor al wat lieflijk is en wèl luidt open staat, zal ook het moeilijke gemakkelijker dragen.