Spreuken 27:14
1. Het is een grote dwaasheid om buitensporig te zijn in het loven zelfs van onze beste vrienden en weldoeners. Het is onze plicht om aan ieder de lof te geven, die hem toekomt, hen toe te juichen, die uitmunten in kennis, deugd en nuttigheid, en om met dankbaarheid de vriendelijkheid te erkennen, die ons aangedaan werd. Maar, dit te doen met luider stem, zich `s morgens vroeg opmakende, in alle gezelschappen altijd op datzelfde aambeeld te slaan, zelfs in het bijzijn van onze vriend, of zo, dat hij het wel moet horen, dit te doen met opzet, zonale wij doen hetgeen waar wij vroeg voor opstaan, de verdiensten van onze vriend bovenmate te verheerlijken, is walglijk en riekt naar geveinsdheid en nevenbedoelingen. De mensen te prijzen voor hetgeen zij gedaan hebben, geschiedt slechts om nog meer uit hen te krijgen en iedereen komt tot de slotsom, dat de tafelschuimer wel goed beloond zal worden voor zijn lofredenen. Wij moeten aan onze vriend de lof niet geven, die alleen aan God toekomt, hetgeen, naar sommigen denken, te kennen wordt gegeven in het zich vroeg opmaken om dit te doen, want in de morgen moet God geloofd worden. Wij moeten niet te veel haast maken om de mensen te prijzen, zo wordt het door sommigen verstaan, de mensen niet te spoedig loven voor hun bekwaamheden en verrichtingen maar deze nog eerst eens op de proef stellen, opdat zij zich niet in hoogmoed verheffen en zich in luiheid te slapen leggen.
2. Nog groter dwaasheid is het om zelf op buitensporige lof gesteld te zijn, een wijs man zal dit eerder een vloek achten, een afkeurende aanmerking op hem, niet alleen bedoeld als een aanslag op zijn beurs, maar het is iets dat hem wezenlijk schade en nadeel zal toebrengen. Bescheiden lof naar een groot man heeft opgemerkt lokt van hen, die tegenwoordig zijn, instemming er mee uit, maar bovenmatige, buitensporige lof prikkelt hen tot tegenstand, zal hen de persoon doen laken, aan wie zo overmatige lof werd toegezwaaid. Daar komt nog bij dat men iemand, door hem zo buitensporig te prijzen, tot een voorwerp van afgunst maakt. Iedereen maakt aanspraak op lof en eer voor zichzelf, en men acht zich dus benadeeld, indien een ander zich al de lof toeëigent, al de eer voor zich neemt, of meer ervan ontvangt dan hem toekomt. En het grootste gevaar van dit alles is, dat het een verzoeking is tot hoogmoed. De mensen zijn licht geneigd om hoger van zichzelf te denken dan betamelijk is, indien anderen meer tot hun lof zeggen dan betamelijk is. Zie hoe grote zorg Paulus aanwendde om niet overschat te worden, 2 Corinthiers 12:6.