Spreuken 26:3
1. Hier worden goddelozen vergeleken bij het paard en de ezel, zo dom zijn zij, Zo onredelijk, zo weerspannig zijn zij, zij kunnen niet anders geregeerd worden dan door geweld en vrees, zo laag heeft de zonde de mensen doen zinken, zo laag en diep beneden henzelf! De mens is ook inderdaad als het veulen van een woudezel geboren, maar gelijk sommigen door Gods genade veranderd zijn en redelijk zijn geworden, zo zijn anderen door gewoonte verhard in de zonde, en deze worden al meer en meer verstompt en verdwaasd, zoals het paard en de muilezel, Psalm 32:9.
2. Er wordt een aanwijzing gegeven om dienovereenkomstig met hen te handelen. Vorsten moeten in plaats van een zot eer te geven, vers 1, hem onteren, in plaats van hem macht in handen te geven, macht uitoefenen over hem. Een ongetemd paard heeft een zweep nodig tot bestraffing, en een ezel heeft een toom nodig ter besturing, om hem in bedwang te houden als hij zich wil afwenden van de weg, evenzo behoort een ondeugend man, die niet onder de leiding en het bedwang wil wezen van Godsdienst en verstand, gegeseld en in toom gehouden te worden en streng gestraft, hij moet boeten voor wat hij verkeerd gedaan heeft, en teruggehouden worden van nog meer kwaad te doen.