Spreuken 25:21-22
Hieruit blijkt dat, hoe de Schriftgeleerden en Farizeeën ook de wet verdorven mochten hebben het gebod van onze broeders lief te hebben, niet alleen, maar zelfs dat van onze vijanden lief te hebben niet slechts een nieuw, maar ook een oud gebod was een Oudtestamentisch gebod, ofschoon onze Heiland er kracht aan bijgezet heeft door Zijn eigen groot voorbeeld, door ons lief te hebben toen wij nog vijanden waren.
Merk op:
1. Hoe wij onze liefde tot onze vijanden moeten te kennen geven: door wezenlijke diensten van vriendelijkheid, die voor ons kosten medebrengen en hun zeer aangenaam zijn. Als zij hongerig en dorstig zijn, dan moet gij, in plaats van behagen te scheppen in hun nood en te bedenken hoe gij de toevoer van levensmiddelen voor hen kunt afsnijden, hen helpen, hun bijstand verlenen, zoals Elisa de Syriërs geholpen heeft, die gekomen waren om hem gevangen te nemen, 2 Koningen 6:22.
2. Wat ons aanmoedigt om dit te doen.
a. Het zal een goed middel zijn, om hen te winnen, hen er toe te brengen om met ons verzoend te worden. Wij zullen hen vertederen, zoals de goudsmid het metaal smelt in de smeltkroes, niet slechts door hem op het vuur te zetten, maar door er gloeiende kolen vuur op te hopen. Het middel om een vijand in een vriend te veranderen is op een vriendelijke wijze jegens hem te handelen. Indien hij er niet door gewonnen wordt, zal het zijn zonde en zijn straf verzwaren, en de gloeiende kolen van Gods toorn op zijn hoofd hopen, gelijk het zich verblijden in zijn ongeluk een aanleiding kan wezen, dat God Zijn toorn van hem afkeert, Hoofdst. 24:17, 18.
b.Wij zullen er in elk geval niets bij verliezen, als wij hierin onszelf verloochenen. "Hetzij hij nu al of niet jegens u verzacht wordt, de Heer zal het u vergelden, Hij zal u vergeven, die u vergevingsgezind hebt betoond, Hij zal voor u voorzien, als gij in benauwdheid zijt (al zijt gij ook boos en ondankbaar geweest), gelijk gij in de nood van uw vijand voorziet." In elk geval zal het vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen, wanneer vriendelijkheden, bewezen aan onze vijanden, herdacht zullen worden, zowel als die, welke aan de vrienden Gods werden betoond.