Spreuken 25:17
Hier noemt hij een ander genoegen, waarvan wij niet te veel moeten nemen, namelijk het genoegen van onze vrienden te bezoeken, het vorige moeten wij spaarzaam gebruiken, ten einde geen oververzadiging teweeg te brengen bij onszelf, dit laatste, opdat wij geen oververzadiging teweegbrengen bij onze naaste.
1. Liet een daad van beleefdheid om soms onze naburen te bezoeken, ten einde hun onze achting en belangstelling te tonen, en onze wederzijdse bekendheid met en genegenheid voor elkaar te onderhouden, en opdat wij beide de voldoening en het voordeel van hun omgang hebben.
2. Het is verstandig, en het behoort tot de goede manieren, om in dit bezoeken van onze vrienden hun niet lastig te zijn, hen niet al te dikwijls te bezoeken, niet al te lang te blijven niet te komen op het uur van de maaltijden, ons niet te bemoeien met hun familieaangelegenheden, waardoor wij ons onbetamelijk aanstellen en hun lastig worden. Uw naaste, die aldus geplaagd wordt door uw bezoek, zal u moe en zat worden, en u haten, en datgene zal de verwoesting zijn van de vriendschap, hetwelk er de versterking van had moeten zijn. Gemeenzaamheid brengt wel eens minachting teweeg. Hij, die zich als tafelschuimer aanstelt bij zijn vriend, verliest hem. Hoeveel beter een vriend is God dus dan iedere andere vriend, want van Zijn huis, de troon van Zijn genade, behoeven wij onze voet niet te sparen, Hoofdst. 8:34, hoe vaker wij tot Hem komen, hoe beter, en hoe meer welkom wij Hem zijn.