10. Vertoont gij u slap en weifelend ten dage deruit- en inwendige benauwdheid, die de Heere juist tot beproeving van uwe sterkte in God, uw geduld en geloofsvertrouwen u toezendt, uwe kracht is nauw en uw moed en vertrouwen op God worden meer en meer verlamd.
De mens vermag, wanneer hij in tijden van gevaar zijne krachten moedig bijeen verzamelt, meer dan hij gewoonlijk denkt. Eerst dan, wanneer men in het gevaar eenmaal zwak is geweest, komt onze kracht zelf in gevaar zwak te worden. Hoe vele gelovige Christenen zijn reeds daardoor ten onder gegaan en ten laatste met een gebroken hart gestorven, omdat zij begonnen zwak en laf te worden, toen het er op aankwam, tegen den afstand van aardse goederen, van de gunst en eer der wereld, voor hunnen Heere en Zijne zaak moedig uit te komen; toen zij de verzoeking krachtig hadden moeten weerstaan, en liever alles hadden moeten verlaten, dan hunnen Heere te verloochenen, en met de verzaking van ook slechts een gedeelte der waarheid enen vrede te sluiten, die hun wel is waar enen tijdlang rust en het onaangevochten bezit der aardse goederen verzekerde, maar waarover zij zich toch niet met een dankbaar hart voor God konden verblijden, omdat zij de goden dezer wereld met hunnen Heere gelijk gesteld hadden..
In den dag des kwaads, der tegenspoeden en der benauwdheid is men gereed, om weldra te bezwijken, moedeloos te worden, te verflauwen, van ons werk af te laten en aan hulp en troost te wanhopen. Onze geest zinkt neer, onze handen worden slap, onze knieën knikken en buigen onder ons, en wij zijn buiten staat, om iets nuttig, te verrichten. Menigmaal zijn zij, die het best gemoedigd en vrolijkst zijn in voorspoed en welstand, de treurigste en neerslachtigste, als hun iets dreigt of tegenloopt..