Spreuken 20:25
Hier wordt gezegd, dat de mensen verstrikt worden door twee dingen, door welke God grotelijks wordt beledigd. Zij worden er niet slechts door verstrikt in schuld, maar in moeite en benauwdheid, en ten laatste in verderf.
1. Heiligschennis, van de mensen vervreemden van heilige dingen om ze tot hun eigen gebruik aan te wenden, hetgeen hier ze te verslinden wordt genoemd. Wat op enigerlei wijze toegewijd is aan de dienst en de eer van God, aan het onderhouden van de Goddelijke eredienst, of aan de ondersteuning van de armen, behoort nauwgezet voor deze doeleinden bewaard te worden, en zij, die ze direct of indirect verduisteren, of het doel, waarvoor het gegeven werd, in de weg staan, zullen zeer veel te verantwoorden hebben. Zal een mens God beroven in de tienden en het hefoffer? Maleachi 3:8. Zij die hun Godsdienstige handelingen, hun prediken en bidden haastig verrichten om er maar spoedig klaar mee te zijn, kunnen gezegd worden het heilige te verslinden.
2. Verbondsverbreking. Het is een strik voor een mens om, nadat hij geloften aan God gedaan heeft, een onderzoek in te stellen, hoe hij er aan zou kunnen ontkomen om ze betalen. Indien de zaak, waarvoor hij de geloften deed, twijfelachtig was, en de uitdrukkingen, die hij gebruikte, dubbelzinnig waren, dan was dit zijn schuld, hij had ze met groter omzichtigheid en na rijpe overweging moeten doen, want hij zal in groter strijd en moeilijkheid zijn (indien hij teder van geweten is) zo hij daarna onderzoek gaat doen, Prediker 5:6, want als wij onze mond tot de Heere geopend hebben, dan is het te laat om ons woord terug te nemen, Handelingen 5:4.