Spreuken 19:22
Het is loffelijk voor de mens om naar de eer te staan van wel te doen. Als er ook slechts een vonkje van deugd in de mens is, dan moet het zijn wens zijn weldadig te wezen, er is niets waarvoor men zo gaarne een bezitting zou willen hebben, dan om in staat te zijn de armen te helpen, en onze vrienden van dienst te kunnen wezen.
Het is veel beter een hart te hebben om goed te doen en er het vermogen toe te missen, dan er het vermogen toe te hebben maar geen hart er voor. De wens des mensen om vriendelijk, barmhartig en edelmoedig te zijn, is zijn weldadigheid en zal aldus opgenomen worden, beide God en de mens zullen zijn goede wil aannemen naar hetgeen hij heeft, en zullen niet meer verwachten. Een arme man, die u welgezind is, maar u niets kan beloven omdat hij niets heeft, waarmee hij vriendelijkheid kan betonen, is beter dan een leugenachtig man dan een rijke, die u wil doen geloven dat hij grote dingen voor u doen zal, maar als het er op aankomt niets zal doen. De hoedanigheid van geringe lieden, dat zij ijdelheid zijn, van wie niets te verwachten is, is beter dan die van de grote lieden, die leugen zijn, zij bedriegen hen, die verwachtingen van hen koesteren.