20. Wie verdraaid is van hart, de wegen des rechts en der waarheid niet bewandelt, zal in het leven het ware en blijvende goede niet vinden, want slechts den oprechte laat de Heere alles gelukken (
Hoofdstuk 11:20;
16:20), en evenzo, die verkeerd is, bedrieglijk spreekt met zijne tong, zal in het kwaad, in de billijke bezoeking van God vallen (
Hoofdstuk 13:17). 21. Wie enen zot genereert, hem tot zoon heeft, die zal hem tot droefheid zijn; hij zal verdriet van hem hebben, of hij moet zelf een zot zijn, die niet inziet, dat de hoogste vreugde der ouders is, vrome kinderen te hebben, die het huis doen staande blijven met hun eeuwig erfdeel; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden; 1) want de goddeloosheid van den zoon rukt neer, wat hij opgebouwd heeft (
Hoofdstuk 10:1;
18:13).
De vader van een dwaas neemt het verheven gedrag van zijn kind zozeer ter harte, dat niets ter wereld hem enige blijdschap, lust en genoegen schijnt te geven..