Spreuken 17:16
Van twee dingen wordt hier gesproken met bewondering.
1. Gods grote goedheid voor de dwaze mens, door koopgeld in zijn hand te geven om wijsheid te knopen, wetenschap en genade te verkrijgen om hem voor beide werelden geschikt te maken. Wij hebben een redelijke ziel, de middelen van de genade, de twisting des Geestes, toegang tot God door het gebed, wij hebben tijd en gelegenheid. Hij die een goede bezitting heeft zo lezen het sommigen heeft hierdoor het voordeel om er wijsheid door te verkrijgen door onderwijs te Lopen. Het is dus een prijs van waarde, een talent, het is een prijs in de hand in bezit, het woord is nabij u, het is een prijs om te verkrijgen, voor ons eigen nut en voordeel, het is om wijsheid te verkrijgen, juist dus hetgeen wij, daar wij dwazen zijn, het meest nodig hebben. Wij hebben reden om ons er over te verwonderen, dat God zo onze nooddruft aanziet, ons zoveel voordelen en voorrechten schenkt, hoewel Hij voorzag dat wij er geen goed gebruik van zouden maken.
2. Des mensen grote boosheid, zijn veronachtzaming van Gods gunst en van zijn eigen belangen, hetgeen uiterst dwaas en onverklaarbaar is, hij heeft er geen hart voor, geen hart voor de wijsheid, die te verkrijgen is, noch voor de prijs, in het gebruik waarvan zij verkregen kan worden. Hij heeft geen hart, hij heeft noch de bekwaamheid, noch de wil, noch de moed om gebruik te maken van zijn voorrechten. Hij heeft zijn hart gezet op andere dingen, zodat hij geen hart heeft voor zijn plicht of voor de grote belangen van zijn ziel. Waarom zou een prijs verspild worden aan iemand, die hem zo onwaardig is?