Spreuken 16:29-30
Hier wordt ons nog een soort van slechte mensen beschreven, opdat wij noch zullen doen zoals zij doen, noch iets met hen van doen zullen hebben.
1. Dezulken, die, evenals Satan, al het kwaad doen dat zij kunnen door kracht en geweld, zoals briesende leeuwen, en niet alleen door bedrog en inblazingen, zoals listige slangen. Zij zijn mannen des gewelds, die alles doen door roof en verdrukking, die hun ogen sluiten om met de uiterste inspanning van hun geest verkeerdheden te bedenken, te overleggen hoe zij het grootst mogelijke kwaad kunnen veroorzaken aan hun naaste, hoe het krachtdadig te doen, maar met de meeste veiligheid voor henzelf, en dan hun lippen bewegende geven zij het woord van bevel aan hun agenten, hun werktuigen, volbrengen zij het kwaad, volbrengen zij het boze opzet, hun lippen bijtende, zo lezen het sommigen uit ergernis en boosheid. Als de goddeloze listige aanslagen bedenkt tegen de rechtvaardige, knerst hij over hem met zijn tanden.
2. Dezulken, die-wederom gelijk Satan alles doen wat zij kunnen om anderen te verlokken om zich met hen te verenigen om dit kwaad te doen, hen in een weg leidende die niet goed is, die noch eerlijk, noch achtbaar, noch veilig is, maar beledigend is voor God, en in het einde verderflijk zal blijken te zijn voor de zondaar. Aldus is het zijn oogmerk om sommigen te verderven in deze wereld door hen in benauwdheid en moeite te brengen, en anderen in de andere wereld door hen tot zonde te brengen.