26. De ziel 1) des arbeidzamen arbeidt voor zich zelven, het gevoel van behoefte doet hem den arbeid liefhebben en met vreugde volbrengen tot zijn eigen nut en voordeel, want zijn mond buigt zich voor hem, 2) als een nederig verzoeker, en bidt hem om toch te arbeiden, opdat hij spijze moge ontvangen tot verkwikking en voeding voor het gehele lichaam.
1) Anderen vertalen het woord in den grondtekst door eetlust. De bedoeling is hetzelfde. De wijze koning Israëls zegt hier, dat de mensen door behoefte aan voedsel gedrongen wordt om te arbeiden. Die niet werkt, zegt dan ook de Apostel, zal ook niet eten.
2) Terwijl dat, wat een mens moeite en zorg veroorzaakt, ene bron van levensonderhoud voor hem wordt, helpt het ook weer moeite en zorg overwinnen, terwijl deze tot een prikkel wordt om hem aan te drijven; want de honger geeft lust, en ruimt alle moeite uit den weg. Welk een wenk van de leidende, besturende Voorzienigheid..
Het is ene krachtige beweegreden, om een mens op te wekken tot het doen van moeite en eerlijke bezigheid, dat al zijn arbeid strekt tot zijn eigen behoud; zijn mond verzoekt hem deze gunst, om toch niet uitgehongerd te worden. Maar hij integendeel, die zijn tijd doorbrengt met anderen te plagen en te kwellen, zal bevinden, dat dit op hem zelven terugkeert, want hij kan niet het minste kwade woord spreken, of het zal op hem terugstuiten en hem in `t aangezicht vliegen..