35. Het welbehagen des konings is over een verstandig knecht, die door trouw en voorzichtigheid zijne hemelse wijsheid ten nutte van zijnen vorst aanwendt; hij kan rekenen op zijne gunst, en daarom zeker zijn van zijn geluk; maar zijne, des konings, verbolgenheid zal zeker zijn over degenen zijner knechten, die hem schade en schande aanbrengt, en alzo beschaamd maakt.
Een voorzichtig en bekwaam stadsdienaar, die zijn werk verstaat en dat getrouw verricht, moet gewis zijnen vorst zeer aangenaam zijn; maar des konings gramschap wordt ten hoogste ontstoken over dezulken, die de zaken van hunnen vorst niet behartigende, door een slecht bestuur zijne regering onteren, en alles in verwarring brengen.
Indien men vorstelijke gunst zelden bestendig ziet, men moet het, immers gedeeltelijk, daaraan toeschrijven, dat er niets moeilijker is dan staatsdienaren te vinden, die tot het ideaal der volkomenheid naderen, dat men vruchteloos ten allen tijde zocht. Niets is ondertussen ongelukkiger voor een koning, dan onder zijne voorname hofbeambten de zodanige te zien, die juist het tegendeel zijn van vaardige en rijpberadene dienaars; wargeesten namelijk, die hindernissen en verlegenheden niet uit den weg ruimen, maar vermeerderen; die zich gedurig dieper in onaangename, onvoorziene uitkomsten inwikkelen, elk ogenblik beschaamd moeten staan, en ook hunnen vorst beschaamd maken. Indien deze zich, in plaats van gunst, ongenade op den hals halen, zal niemand zich hierover verwonderen; want een koning rekent dikwijls zijnen dienaars ook dit tot ene misdaad toe, dat hij zich in hen heeft kunnen bedriegen. In onze spreuk lezen wij niet het zachte woord ongenade, maar het in ene Oosterse heerschappij verschrikkelijke woord van `s Konings verbolgenheid, die doorgaans niets minder dan verbeurte van goed en leven ten gevolge heeft. Men ziet daar menigwerf mensen, ook de onbekwaamste en slechtste, door vrouwen streken, door vleierij, door geschenken en omkoping, zich tot de eerste posten in den Staat verheffen. Voor dezulken ligt er ene geduchte waarschuwing in Salomo's uitspraak opgesloten: dat zij niet rekenen kunnen op `s konings duurzame gunst, die slechts den bekwamen en braven kon ten deel vallen, dat zij op niets anders mogen rekenen, dan dat éénmaal hun nietigheid of trouweloosheid zich openbaren zal, en dat zij beladen met `s vorsten verbolgenheid hun staatzucht met hunnen val zullen boeten.