8. Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom, dezen kan hij gebruiken, wanneer hij voor het gericht veroordeeld wordt, of door rovers, of in oorlog gevangen genomen wordt, om zich los te kopen; maar de arme, waarvan niets te krijgen is, hoort het schelden het dreigen niet, waarmee men hem in zulke gevallen overlaadt, omdat hij geen geld heeft, om daarvoor zijne vrijheid weer te kopen; op deze wijze geeft toch de armoede soms een voorrecht boven den rijkdom.
Luther's kanttekening: Enen rijken scheldt men, maar laat hem voor geld vrij. De arme moet het boeten. Wie geen geld heeft, betaalt met de huid.
De rijken zijn altoos zo gelukkig niet, als men zich wel verbeeldt, want hun schatten dienen soms alleen om hen van zware misdaden te doen beschuldigen, opdat zij zich zouden lossen met veel geld, dat zij gaarne geven om het leven te behouden; maar niemand is genegen om de armen te zoeken, of beschuldigingen tegen hen in te brengen. 9. a) Het licht der rechtvaardigen, dat is: het geluk, om hetwelk af te beelden de Oosterling, en bijzonder de Arabier ene brandende lamp in zijne tent brandt, zal zich verblijden, brandt helder en vrolijk; want het licht van Gods genade licht over hem, en behoedt hem voor alle kwaad; b) maar de lamp der goddelozen, al schijnt zij ook enigen tijd helder, ja schijnbaar helderder dan die der rechtvaardigen, zal toch eindelijk ook reeds in het leven, maar zeker in de eeuwigheid geheel uitgeblust worden (Job 29:3).
a) Spreuken 4:18. b) Job 18:5,6; 21:17.
Het licht van den rechtvaardige is als dat der zon, die verduisterd of bewolkt moge zijn, zij blijft bestaan; de Geest is hun Licht, Hij heeft ene volheid van vreugde, en geeft hun gaarne het goede. Dat van den goddeloze is als ene lamp, die zij zelven hebben aangestoken, en gemakkelijk kan worden uitgeblust..