6. a) De gerechtigheid, in het hart wonende, bewaart den oprechte van weg, die zedig, rechtvaardig en godzalig wandelt, zodat hij in tijdelijke rampen niet vreest, en zijne hoop op de gelukzalige eeuwigheid vestigt; maar de goddeloosheid, die in het hart heerst en regeert, zal den zondaar meer en meer van den rechten weg doen afdwalen; ene geheime macht, waartegen de mens zich zelf niet kan verweren, zal zich geheel van hem meester maken, en op enen hopelozen weg brengen, waarop hij zich niet zal kunnen omkeren, maar op welken hij steeds voortholt naar zijn eeuwig verderf.
a) Spreuken 10:29; 11:3,5,6.
Beiden, de gehoorzaamheid aan God en Zijne geboden, en het zich niet gebonden achten aan de goddelijke bepalingen, zijn ene macht, die over den mens gebiedt; in hem zelven ligt de beloning en de straf; achter hem staan echter God en de duivel..