Romeinen 3:19-31
Uit dit alles maakt Paulus de gevolgtrekking dat het tevergeefs is de rechtvaardigmaking in de werken der wet te zoeken, en dat deze alleen door het geloof kan verkregen worden. Dit heeft hij de gehele redenering door, van Hoofdstuk 1:17 af, bewezen, en hij geeft het hier in vers 28 als slotsom: Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet, niet door de werken van de eerste wet van algehele onschuld, die geen plaats voor berouw liet, niet door de werken van de wet der natuur, hoe hoog die ook mogen verheven zijn, niet door de werken der ceremoniële wet, het bloed van stieren en bokken kan de zonden nimmermeer wegnemen, niet door de werken van de zedelijke wet, die hier mede bedoeld wordt, want hij spreekt van de wet, waardoor de kennis der zonde is, en van werken die reden geven kunnen om in te roemen. De mens in zijn ellendigen toestand, onder de macht van zulk een verdorvenheid, kan nooit door enig eigen werk toegang tot God verkrijgen, die kan alleen verworven worden door de vrije genade Gods, gegeven door Christus Jezus aan alle ware gelovigen, die haar aannemen geheel als een vrije gave. Indien wij nooit gezondigd hadden, zou onze gehoorzaamheid aan de wet onze gerechtigheid geweest zijn. "Doe dat en gij zult leven". Maar nu wij gezondigd hebben, en verdorven zijn, kan niets dat wij verrichten kunnen onze schuld uitdelgen. De Farizeeën zochten rechtvaardigmaking in gehoorzaamheid aan de zedelijke wet, Lukas 18:11. Nu zijn er twee punten die thans door den apostel gesteld worden: de schuldigheid van den mens, die bewijst dat wij niet door de werken der wet kunnen gerechtvaardigd worden, en de heerlijkheid Gods, die bewijst dat wij moeten gerechtvaardigd worden door het geloof.
I. Hij bespreekt de schuld des mensen, om aan te tonen hoe dwaas het is de rechtvaardigmaking te verwachten uit de werken der wet. De bewijsvoering is zeer eenvoudig: wij kunnen nooit gerechtvaardigd en verlost worden door een wet, die wij hebben overtreden. Een overtreder, wiens schuld bewezen is, kan natuurlijk geen vrijspraak pleiten op grond der wet, die zijn misdaad vaststelt en hem veroordeelt. Indien hij haar nooit overtreden had, zou hij door haar gerechtvaardigd worden, maar nu ze eenmaal overtreden is, kan ze niet anders dan tegen hem zijn. En van menselijke wetten verwacht en oordeelt niemand iets anders.
1. Hij past de schuldigheid der mensen voornamelijk op de Joden toe, want zij waren de mensen die roemden op de wet en hun rechtvaardigmaking van haar verwachtten. Verscheidene plaatsen uit het Oude Testament had hij aangehaald om deze verdorvenheid te bewijzen, en nu zegt hij vers 19 :Wij weten nu dat al wat de wet spreekt, zij dat zegt tot degenen die onder de wet zijn, deze overtuiging behoort tot de Joden zowel als de anderen, want het staat geschreven in hun wet. De Joden beroemden zich er op dat zij onder de wet waren en stelden daar veel vertrouwen in. Maar, zegt hij, de wet overtuigt en veroordeelt u, gij ziet zelf dat zij dat doet. Opdat alle mond gestopt worde, dat er een einde kome aan alle roemen. Ziehier Gods handelwijze beide in rechtvaardig maken en veroordelen, Hij stopt elke mond. Zij, die door het geloof gerechtvaardigd worden, zien zich den mond gestopt door nederige overtuiging, en hun, die veroordeeld worden, wordt ook de mond gestopt, want zij zullen ten slotte overtuigd worden, Judas 15 en zonder tegenspreken ter helle varen, Mattheus 22:12. Alle ongerechtigheid stopt haar mond, Psalm 107:42..
2. Hij breidt dit uit over de gehele wereld. Opdat de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Indien de wereld in het boze ligt, 1 Johannes 5:19 dan staat het ook vast dat zij schuldig is. De mens zij schuldig, dat is: het blijke dat de mens schuldig is, allen zijn van nature kinderen des toorns, Efeze 2:3. Allen moeten zich schuldig verklaren, en zij, die in hun eigen rechtvaardigheid staan, zullen zeker buiten geworpen worden. Schuldig voor God is een vreeslijk woord, schuldig voor den alzienden God, die in zijn oordeel niet bedrogen wordt of kan worden, voor een rechtvaardigen en gerechtigen richter, die in geen geval de schuld verbloemen zal. Allen zijn schuldig, en hebben derhalve behoefte aan een rechtvaardigheid, die voor God bestaan kan. Want zij hebben allen gezondigd, vers 23, allen zijn zondaars van nature en door daden, en derven de heerlijkheid Gods, hun ontbreekt datgene, wat het voorname doel van den mens is. Derven, komen tekort, zoals de boogschutter het wit mist, zoals de loper den prijs verbeurt, zij derven, zij falen niet slechts in het winnen, maar zij zijn grote verliezers. Derven de heerlijkheid Gods.
A. Komen tekort in het verheerlijken van God. Zie Hoofdstuk 1:21. Zij verheerlijkten Hem niet als God. De mens werd aan het hoofd van de zichtbare schepping geplaatst ten einde zelfbewust den Schepper te verheerlijken, die door de lagere schepselen slechts door hun bestaan kon verheerlijkt worden, maar de mens kwam door de zonde daarin tekort, in plaats van den Schepper te verheerlijken, onteert hij Hem. Het is een zeer bedroevende beschouwing, te zien dat de mensenkinderen, die geschapen werden om God te verheerlijken, zo weinig dat doen.
B. Zij komen tekort in verheerlijking voor God. Er is geen roem of onschuld, indien wij ons voor God verheerlijken door te roemen op iets dat wij zijn, of hebben, of doen, dan is er een altijddurend beletsel: wij hebben allen gezondigd, en dat legt ons het stilzwijgen op. Wij mogen ons zelven verheerlijken voor de mensen, die kortzichtig zijn en de harten niet kunnen doorzoeken, die bedorven zijn gelijk wij en al te zeer vrede hebben met de zonde, maar er is geen verheerlijking voor God, die te rein van ogen is om het kwade te zien.
C. Zij komen tekort in het verheerlijkt worden door God. Zij komen tekort in rechtvaardigmaking en aanneming door God, waarmee de heerlijkheid aanvangt, en evenzo in heiligheid of heiligmaking, die het heerlijke beeld Gods in den mens is, en hebben alle hoop of verwachting vernietigd van door God in den hemel gerechtvaardigd te worden krachtens enige rechtvaardigheid in hen zelven. Het is thans onmogelijk ten hemel te gaan door eigen vlekkeloze onschuld. De weg is versperd. Een cherub met een vlammend zwaard bewaakt den toegang tot den boom des levens.
3. Ten einde ons nog meer terug te houden van het verwachten van rechtvaardigmaking door de wet, beschrijft hij de door de wet gewerkte overtuiging aldus, vers 20. Want door de wet is de kennis der zonde. De wet, die overtuigt en veroordeelt, kan ons nimmer rechtvaardigen. De wet is de rechte lijn, die aanduidt wat recht en wat verkeerd is. Het rechte gebruik en de bedoeling van de wet is de wonde te openen, en daarom kan zij geen geneesmiddel zijn. Hetgeen de wonde onderzoekt kan niet genezend zijn. Zij, die de zonde willen kennen, moeten komen tot de kennis der wet in al haar gestrengheid, uitgebreidheid en geestelijken aard. Wanneer wij onze eigen harten en wandel met dezen regel vergelijken, zullen wij ontdekken hoe ver wij er van zijn afgeweken. Paulus maakt het volgende gebruik van de wet, Hoofdstuk 7:9. En daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem. Merk op: A. Geen vlees zal gerechtvaardigd worden, geen mens, geen bedorven mens, Genesis 6:3, want hij is vlees, zondig, bedorven, en daarom niet gerechtvaardigd omdat wij vlees zijn. De bedorvenheid van onze natuur zal voor eeuwig onze rechtvaardigmaking door onze eigen werken in den weg staan, die komende uit het vlees de kiem van hun oorsprong behouden. Job 14:4. Niet gerechtvaardigd voor Zijn aangezicht. Paulus ontkent niet de rechtvaardigmaking door de werken der wet voor het aangezicht van de kerk. In hun kerkstaat waren zij belichaamd als een heilig volk, een priesterlijk volk. Maar zoals het geweten tegenover God staat, voor Zijn aangezicht, kunnen wij door de werken der wet niet gerechtvaardigd worden. De apostel verwijst hier naar Psalm 143:2..
II. Hij bewijst uit Gods heerlijkheid dat de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof in de rechtvaardigheid van Christus kan verwacht worden. Er is geen rechtvaardigmaking door de werken der wet. Moet dus de schuldige mens eeuwig onder den toorn blijven? Is er geen hoop? Is de wonde, door de overtreding geslagen, ongeneeslijk? Neen, God zij geloofd, dat is zij niet, vers 21, 22. Er is een andere weg voor ons geopend. De rechtvaardigheid Gods is geopenbaard zonder de werken der wet, nu, onder het Evangelie. De rechtvaardigmaking kan verkregen worden zonder daartoe de wet van Mozes te onderhouden, en dit wordt genoemd de rechtvaardigheid Gods, rechtvaardigheid die Hij beschikte, voorzag en aannam, rechtvaardigheid die Hij op ons toepast, evenals de Christelijke wapenrusting in Efeze 6:11 genoemd wordt de wapenrusting Gods.
1. Aangaande deze rechtvaardigheid Gods hebben wij op te merken:
A. Dat zij geopenbaard is. De weg des Evangelies ter rechtvaardigmaking is een gebaande weg, een rechte weg, hij is voor ons geopend. De koperen slang is opgericht. Wij hebben onzen weg niet in het donker tastend te zoeken, hij is ons geopenbaard.
B. Hij is zonder de wet. Hier verwerpt hij de zienswijze van de Judese Christenen, die Christus en Mozes wilden bijeenvoegen, die Christus als een Messias erkenden maar toch nog innig aan de wet gehecht bleven, haar plechtigheden onderhielden en haar ook aan den heiden wilden opleggen. Neen, zegt hij: ze is zonder de wet. De gerechtigheid, welke Christus aangebracht heeft, is een volkomen gerechtigheid.
C. Maar toch heeft zij de getuigenis van de wet en de profeten, dat is: er waren onder het Oude Testament typen, profetieën en beloften, die op haar wezen. De wet is er zo ver af van ons te rechtvaardigen, dat juist zij ons een anderen weg van rechtvaardigmaking wijst, dat zij op Christus wijst als onze rechtvaardigheid, op Christus van wie alle profeten getuigenis afleggen, Handelingen 10:43. Dit beveelt deze rechtvaardigheid aan bij de Joden, die zo gehecht waren aan de wet en de profeten.
D. Zij is door het geloof van Jezus Christus, het geloof waarvan Jezus Christus het voorwerp is, den gezalfden Zaligmaker, zoals Zijn naam aanduidt. Rechtvaardigmaking geloof eerbiedigt Christus als den Zaligmaker in alle drie Zijn bedieningen waartoe Hij gezalfd is, als profeet, priester en koning, in Hem vertrouwende, Hem aannemende en Hem erkennende in die alle. Daardoor krijgen wij deel aan de gerechtigheid, welke God verordend en Christus aangebracht heeft. E. Zij is tot allen, en over allen die geloven. In deze woorden vat hij samen al wat hij tevoren meermalen aangetoond heeft, dat Joden en heidenen, indien zij geloven, gelijkstaan en gelijkelijk door Christus Gode welkom zijn.
Want er is geen onderscheid. Of: het is eis pantas, voor allen, aan allen in het algemeen aangeboden. Het Evangelie sluit niemand uit, die zich zelven niet uitsluit. Maar het is epi pantas toes pisteuontas, over allen die geloven. Niet alleen aan hen vermaakt, maar hun op het hoofd geplaatst als een kroon, aangetrokken als een kleed, zij verkrijgen er deel aan door hun geloof, en worden daardoor gerechtigd tot al zijn zegeningen en voorrechten.
2. Maar wat zegt dit nu voor Gods heerlijkheid?
A. Het is tot heerlijkheid van Zijne genade, vers 24. En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, doorean têi autoe chariti. Het is uit Zijne genade. Niet uit de genade die in ons gewrocht wordt, zoals de Roomsen leren omdat zij rechtvaardigmaking en heiligmaking met elkaar verwarren, maar uit de genadige gunst Gods jegens ons, zonder enige in ons vooruit geziene verdienste. En om het nog meer kracht bij te zetten, zegt hij: het is om niet uit Zijne genade, ten einde aan te tonen dat genade hier moet verstaan worden in den meest eigenlijken en oorspronkelijken zin. Er wordt gezegd dat Jozef genade vond in de ogen van zijn meester, Genesis 39:4, maar daar bestond een reden voor, want deze zag dat hij voorspoedig was in al wat hij deed. Er was iets in Jozef, dat deze genade uitlokte, maar de genade die God jegens ons betoont is om niet, om niet, zij is vrije genade, enkel barmhartigheid, niets is er in ons dat zulk een gunst verdient, neen: alles is door de verlossing die in Jezus Christus is. Zij komt om niet tot ons, maar zij werd verworven door Christus, en Hij heeft haar duur betaald, maar het werd zo geschikt dat het niets tekort deed aan de eer der vrije genade. De verdienste van Christus is geen hinderpaal voor de vrijheid van Gods genade, want genade beschikte deze tussen tredende voldoening en nam haar aan.
B. Zij is tot heerlijkheid van Zijne rechtvaardigheid en gerechtigheid, vers 25, 26. Welken God voorgesteld heeft tot ene verzoening door het geloof in Zijn bloed, enz. Merk op:
a. Jezus Christus is de grote verzoening, de verzoenende offerande, afgeschaduwd door het verbondsdeksel, hilastêrion, onder de wet. Hij is onze genadetroon, in en door welke verzoening voor onze zonden aangebracht is, en onze personen en daden door God aangenomen worden, 1 Johannes 2:2. Hij is alles in alles in onze verlossing, niet alleen haar bewerker, maar haar oorzaak, onze priester, onze offerande, ons altaar, ons alles. God was in Christus, als gezeten op Zijn genadetroon, de wereld met zich zelven verzoenende.
b. God heeft Hem als zodanig voorgesteld. God, de beledigde partij, deed de eerste pogingen tot verzoening, wees den middelaar aan, proëtheto, bestemde Hem van tevoren daartoe, stelde Hem en zalfde Hem daartoe in den raad Zijner liefde van eeuwigheid, begaafde Hem daartoe en heeft Hem aan een schuldige wereld tot ene verzoening voorgesteld. Zie Mattheus 3:7, 17:5.
c. En zulks door het geloof in Zijn bloed. Daardoor krijgen wij deel aan deze verzoening. Christus is onze verzoening, Hij is het verordende geneesmiddel. Het geloof is de toepassing van dat geneesmiddel op de gewonde ziel. En dit geloof in het werk der rechtvaardigmaking heeft rechtstreeks betrekking op het bloed van Christus, want dat brengt de verzoening aan. Het Goddelijk bestel was dat er zonder bloedstorting geen vergeving is, en alleen Zijn bloed had werkelijk de kracht daartoe. Hier zien wij een zinspeling op het sprenkelen van het bloed der offeranden onder de wet, Exodus 24:8. Het geloof is het bundeltje hysop, en het bloed van Christus is het bloed der besprenging.
d. Dat allen, die door het geloof deelhebben aan deze verzoening, daardoor hebben de vergeving hunner zonden, die tevoren geschied zijn. Daartoe werd Christus voorgesteld tot ene verzoening, om vergeving te verwerven, waarvoor het uitstel door Zijn lankmoedigheid en verdraagzaamheid een zeer bemoedigende voorbereiding waren.
Onder de verdraagzaamheid Gods. De goddelijke lankmoedigheid heeft ons uit de hel bewaard, opdat wij gelegenheid tot berouw hebben en ten hemel gaan mochten. Sommigen verstaan onder zonden die tevoren geschied zijn de zonden van de Oud-Testamentische heiligen, wie vergeving geschonken werd ter wille van de verzoening, die in de volheid des tijds door Christus zou aangebracht worden, en die zowel terugwerkende als voorwerkende kracht had. Tevoren onder de verdraagzaamheid Gods. Wij hebben het aan de verdraagzaamheid Gods te danken dat wij niet gegrepen worden op het ogenblik waarop de zonde gepleegd wordt. Sommige Griekse handschriften maken, en têi anochêi toe theoe, onder de verdraagzaamheid Gods, tot het begin van den zin in vers 26, en onderscheiden daardoor twee kostbare vruchten van Christus verdienste en Gods genade: -vergeving dia tên paresin, door de vergeving, en uitstel: de verdraagzaamheid Gods. Het is te danken aan de goedheid van den meester en de tussenkomst van den landman, dat de onvruchtbare bomen in den wijngaard mogen blijven staan, en in beide treedt Gods gerechtigheid aan het licht, immers zonder een middelaar en een verzoening zou Hij niet alleen geen vergeving schenken, maar ook niets verdragen of een ogenblik sparen. Wij danken het aan Christus dat er ook een zondaar aan deze zijde van de hel is.
e. God doet alles tot ene betoning van Zijne rechtvaardigheid. Hij komt daarop met sterken nadruk terug, nogmaals: tot ene betoning van Zijne rechtvaardigheid. Het wordt herhaald, omdat daarin veel verwonderlijks is. God toont Zijn rechtvaardigheid: Ten eerste: in de verzoening zelf. Nooit was er zulk een openbaring van Gods gerechtigheid en heiligheid als er was in den dood van Christus. Het werd openbaar dat Hij de zonde haat, toen niets minder dan het bloed van Christus kon volstaan om er voor te voldoen. Toen Hij zonden, -ofschoon slechts van anderen overgenomen zonden-in Zijn eigen Zoon vond, spaarde Hij Hem niet, omdat Hij zich zelven zonde gemaakt had voor ons, 2 Corinthiërs 5:21. Onzer aller ongerechtigheid werd op Hem gelegd, en ofschoon Hij de Zoon Zijner liefde was, behaagde het den Heere Hem te verbrijzelen, Jesaja 53:10.
Ten tweede: In de vergeving, die op deze verzoening volgde. Bij wijze van uitlegging volgt hier, opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende degenen, die uit het geloof van Jezus is. Barmhartigheid en waarheid ontmoeten elkaar hier, gerechtigheid en vrede kussen elkaar, dat is: het wordt nu niet alleen een daad van genade en barmhartigheid, maar ook een daad van rechtvaardigheid in God, de zonden van boetvaardige gelovigen te vergeven, want Hij heeft de voldoening aangenomen, welke Christus door Zijn dood voor hen aan Zijne rechtvaardigheid gaf. Het zou niet stroken met Zijne rechtvaardigheid om de voldoening te eisen van den schuldenaar nadat de borg betaald heeft en Hij die betaling als volle voldoening aangenomen heeft, 1 Johannes 1:9. Hij is rechtvaardig, dat is getrouw aan Zijn woord. C. Het is ter heerlijkheid Gods, want alle roem is daardoor uitgesloten, vers 27. God wil dat het grote werk der rechtvaardigmaking en verlossing van zondaren van het begin tot het einde op zulk een wijze geschiedt dat alle roem uitgesloten blijft, zodat geen vlees voor Hem roemen kan, 1 Corinthiërs 1:29-31. Welnu, indien rechtvaardigmaking door de werken mogelijk ware, dan zou de roem niet uitgesloten zijn. Hoe zou ze? Indien wij door onze werken konden zalig worden, zouden wij de kroon op ons eigen hoofd mogen zetten. Maar de wet des geloofs, dat is: de weg van rechtvaardigmaking door het geloof, sluit voor eeuwig allen roem buiten, want het geloof is een afhankelijke, zelf-ontledigende en zelf-verloochenende genade, en werpt zijn kroon voor den troon. En daarom strekt het meest tot Gods heerlijkheid, dat wij op die wijze zouden gerechtvaardigd worden. Merk op: Hij spreekt van de wet des geloofs. Gelovigen worden niet zonder wet gelaten, het geloof is een wet, het is een werkzame genade overal waar het in waarheid bestaat, en toch, omdat het handelt in stipte en algehele afhankelijkheid van Jezus Christus, sluit het allen roem uit. Uit dit alles maakt hij deze gevolgtrekking, vers 28. De mens wordt door het geloof gerechtvaardigd, zonder de werken der wet.
III. In het slot van dit hoofdstuk toont hij aan de uitgebreidheid van dit voorrecht der rechtvaardigmaking door het geloof, en dat het geen bijzonder voorrecht is van de Joden alleen, maar evenzeer den heidenen toekomt, want hij heeft, vers 22, gezegd, dat er geen onderscheid is. Zo ook hier.
1. Hij bevestigt en bewijst het, vers 29, 30.
Is God een God der Joden alleen? Hij toont de ongerijmdheid van zulk een onderstelling aan. Kan men zich voorstellen dat een God van oneindige liefde en barmhartigheid Zijne weldaden zou beperken en toekennen alleen aan dat kleine weerspannige volk der Joden, en alle overige kinderen der mensen laten in een toestand van eeuwige wanhoop? Dat zou in het minst niet overeenkomen met het denkbeeld van Zijn goddelijke goedheid, want Zijne goedertierenheden zijn over al Zijne werken. Derhalve is Hij een God van genade, die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof en de voorhuid door het geloof, dat is, beide in een en dezelfden weg. Hoewel de Joden dromen van een onderscheid in hun voordeel, in werkelijkheid is er geen ander onderscheid dan uit en door, dat is: in `t geheel geen onderscheid.
2. Hij weerlegt een aanmerking, vers 31, alsof deze leer de wet teniet deed, van welke zij wisten dat God haar gegeven had. "Neen", zegt hij, "ofschoon wij staande houden dat de wet ons niet rechtvaardigen zal, zeggen wij daarom nog niet dat zij tevergeefs afgekondigd is of dat zij voor ons geen nut heeft. Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet, dat is: het rechte gebruik van de wet, en bevestigen haar stand door haar op den rechten grondslag te plaatsen. De wet heeft nog haar nut om ons te overtuigen van het verledene en ons te besturen voor de toekomst, ofschoon zij geen verbond is, waardoor wij kunnen zalig worden, toch erkennen wij haar en onderwerpen ons aan haar, als een regel in de hand des Middelaars, ondergeschikt aan de wet der genade, en zijn er dus zover vandaan haar teniet te doen, dat wij haar veeleer bevestigen." Laat hen hierop letten, die de verplichting van de gelovigen ontkennen om de zedelijke wet na te leven.