Richteren 18:27-31
I. Hier is Laïs veroverd door de Danieten. Zij vervolgden hun tocht, en daar hun geen ramp of onheil trof, kwamen zij misschien tot de gevolgtrekking, dat zij niet verkeerd hadden gedaan door Micha te beroven, velen rechtvaardigen zich in hun goddeloosheid met hun voorspoed.
Merk op:
1. In welke houding zij het volk van Laïs hebben gevonden, beide in de stad en op het omliggende land. Zij waren stil en zeker, niet beangstigd door de vijf verspieders, die onder hen gekomen waren om het land te bezien, ook hadden zij geen bericht van de nadering van de vijand, zodat zij een zeer gemakkelijke prooi werden voor de handvol mannen, die hen overvielen, vers 27. Velen worden door hun gerustheid ten verderve gebracht. Satan heeft het voordeel over ons als wij zorgeloos zijn en niet waken, zalig is dus de mens, die ten allen tijde vreest.
2. Welk een volkomen overwinning zij over hen behaalden, zij sloegen hen met de scherpte des zwaards, en verbrandden zoveel van de stad als zij geschikt oordeelden om te herbouwen, vers 27, 28, en voor zover blijkt, hebben zij geen tegenstand ontmoet, want de mate van de ongerechtigheid van de Kanaänieten was vol, en die van de Danieten begon zich pas te vullen.
3. Hoe de overwinnaars zich vestigden in hun plaats, vers 28, 29. Zij herbouwden de stad, of tenminste veel er van (de oude gebouwen waren vermolmd) en noemden haar naam Dan, om voor hen te getuigen, dat zij geboren Danieten waren, al waren zij dan ook gescheiden van hun broederen en zo ver van hen verwijderd, hetgeen anders later vanwege de afstand in twijfel getrokken zou kunnen worden. Het moet ons een zorg zijn om het voorrecht niet te verliezen van onze betrekking tot Gods Israël, en daarom moeten wij alle gelegenheden waarnemen om haar te erkennen, en er de herinnering aan te bewaren voor de onze na ons.
II. Onmiddellijk werd hier de afgoderij ingevoerd. God had genadiglijk Zijn belofte vervuld, door hen in het bezit te stellen van het hun toegewezen erfdeel, hen hierdoor verplichtende om getrouw te zijn aan Hem, die zo getrouw was geweest aan hen. Hij "gaf hun de landen van de heidenen, zodat zij in erfenis bezaten de arbeid van de volken, opdat zij Zijn inzettingen onderhielden," Psalm 105:44, 45. Maar nadat zij gevestigd zijn, is het eerste wat zij doen, Zijn inzettingen overtreden, zodra zij begonnen waren gevestigd te zijn richtten zij het gesneden beeld op, vers 30, hun succes ten onrechte aan die afgod toeschrijvende, hetgeen, indien God niet oneindig lankmoedig was geweest, hun verderf zou geweest zijn. Zo zal een voorspoedig afgodendienaar voortgaan met te zondigen, "deze zijn kracht aan zijn God toeschrijvende," Habakuk 1:11. Hun Leviet, die als priester diende, wordt hier eindelijk genoemd, Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse. In het woord Manasse is in het oorspronkelijke de letter nun naar boven geschoven, hetgeen volgens sommige Joodse rabbijnen te kennen geeft, dat zij uitgelaten had moeten worden, en dan zou die naam "Moshe" Mozes geweest zijn, en deze Leviet, zeggen zij, was een kleinzoon van de beroemden Mozes die ook inderdaad een zoon had, Gersom geheten, maar, zeggen zij, de geschiedschrijver heeft ter ere van Mozes die letter nun half ingeschoven, en aldus de naam in Manasse veranderd. De Vulgata geeft de naam op als Mozes. En indien Mozes inderdaad een liederlijke kleinzoon had, die gebruikt werd als een geschikt werktuig om afgoderij in te voeren, dan is dit niet het enige voorbeeld (God gave dat het het enige was!) van de ellendige ontaarding van de nakomelingen van een groot en goed man. Kindskinderen zijn niet altijd de kroon van oude lieden. Maar de geleerde bisschop Patrick houdt dit voor een ijdeler waan van de rabbijnen, en veronderstelt dat deze Jonathan tot een ander geslacht van de Levieten behoorde. Aan het einde van dit hoofdstuk wordt ons gezegd hoe lang dit bederf aanhield.
1. Dat de nakomelingen van deze Jonathan als priesters bleven fungeren, voor dit geslacht van de Danieten, dat te Laïs en op het omliggende land gevestigd was, tot aan de ballingschap, vers 30. Nadat Micha's beeld was weggenomen, bleef deze familie de waardigheid van priesters behouden, als zodanig werd hun door die stad eer bewezen, en het is zeer waarschijnlijk dat Jerobeam, het oog op hen had, toen hij daar een van zijn kalveren oprichtte, (dat te Dan welkom zou geheten worden en in ere zou worden gebracht, als de priesters des Heeren er niets mee van doen wilden hebben) en dat deze familie als sommigen van zijn priesters dienst gedaan hebben.
2. Dat deze beelden daar bleven tot aan de tijd van Samuël, want zo lang is de ark Gods te Silo gebleven, en waarschijnlijk is er in zijn tijd goed en afdoend voor gezorgd om deze afgoderij te vernietigen. Zie hoe gevaarlijk het is om een besmetting toe te laten, want geestelijke krankheden worden niet zo spoedig genezen als opgedaan.