1 Kronieken 16:37-43
De Godsverering is niet slechts het werk van een dag, nu en dan afgezonderd om een triomf, een overwinning of een blijde gebeurtenis te vieren, maar behoort het werk van iedere dag te zijn. David geeft er hier dus vasten en voortdurende vorm aan, en legde hun, die de dienst deden, de verplichting op om er deze methode bij te volgen, ieder op de hun aangewezen plaats.
In de tabernakel van Mozes, en later in de tempel van Salomo, waren de ark en het altaar bij elkaar, maar sedert de tijd van Eli zijn zij gescheiden geweest, en zij bleven dit totdat de tempel gebouwd was.
Ik kan niet begrijpen welke reden er voor was, waarom David, die de wet kende en er voor ijverde, niet of de ark naar Gibeon heeft gebracht, waar de tabernakel en het altaar waren, of deze naar de berg Zion heeft gebracht, waar de ark was.
Misschien waren de gordijnen en behangselen van Mozes tabernakel zo versleten door de tijd en door wind en weer, dat zij niet geschikt waren om verplaatst te worden, en niet geschikt om de ark te beschutten, en toch wilde hij niet alles nieuw maken, omdat de tijd nabij was dat de tempel gebouwd zou worden. Wat er nu ook de reden van geweest zij, gedurende al de tijd van David bleven zij gescheiden, maar hij droeg zorg dat geen van beide veronachtzaamd zou worden.
1. Te Jeruzalem, waar de ark was, waren Asaf en zijn broederen aangesteld, om geduriglijk te dienen voor de ark met lofliederen, naardat op elken dag besteld was, vers 37.
Daar werden geen offeranden geofferd, werd geen reukwerk gebrand, omdat de altaren daar niet waren, maar Davids gebeden werden gesteld als reukwerk, en de opheffing van zijn handen als het avondoffer, Psalm 141:2. Zo vroeg reeds heeft de geestelijke aanbidding de plaats ingenomen van de ceremoniële.
2. Maar de ceremoniële eredienst, door God ingesteld zijnde, moest toch volstrekt niet worden nagelaten, en daarom hadden de priesters dienst te Gibeon, waar de altaren waren, want hun werk was te offeren en reukwerk te branden, en dat deden zij geduriglijk, des morgens en des avonds, naar alles dat er geschreven staat in de wet des Heeren, die Hij Israël geboden had, vers 39, 40.
Deze dienst van de offeranden moesten zij blijven waarnemen, want hoewel hij achterstond bij de zedelijke dienst van gebed en lofzegging was er, omdat zij typen waren van het middelaarswerk van Christus, toch veel eer opgelegd, en het waarnemen er van was van groot gewicht en betekenis.
Hier was Zadok om de dienst aan het altaar te leiden zoals Abjathar (waarschijnlijk) te Jeruzalem gevestigd was voor de dienst bij de ark, omdat hij de borstlap des gerichts had, die voor de ark geraadpleegd moest worden, dat is de reden waarom wij lezen, dat in Davids tijd Zadok en Abjathar priesters waren, 2 Samuël 20:25, de een waar het altaar was en de ander waar de ark was. Ook te Gibeon, waar de altaren waren, stelde David zangers aan om de Heere te loven, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid, vers 41. Zij deden het met instrumenten van de muziek Gods, zulke instrumenten als voor deze dienst geschikt en aangewezen waren niet de zodanigen als zij bij andere gelegenheden gebruikten. Tussen gewone vrolijkheid en heilige blijdschap is een zeer groot verschil, en de perken en afstanden er tussen moeten zeer zorgvuldig in het oog gehouden worden.
De zaken van de Godsdienst aldus goed geregeld zijnde, ging het volk voldaan en vergenoegd heen, een ieder naar zijn huis, en keerde David zich om zijn huis te zegenen, vast besloten om zijn huisgodsdienst in stand te houden, die door de openbaren eredienst niet ter zijde gezet moet worden.