1 Samuël 1:1-8
Wij hebben hier een bericht nopens de staat van het gezin, waarin Samuël, de profeet, geboren werd. De naam zijns vaders was Elkana een Leviet van het geslacht van de Kohathieten (het aanzienlijkste van deze stam) zoals blijkt uit 1 Kronieken 6:33, 34. Zijn voorvader Zuf was een Efrathiet, dat is: van Bethlehem-Juda, dat Efratha genoemd werd, Ruth 1:2. Daar was deze familie van Levieten het eerst gevestigd maar in verloop van tijd is een tak er van verhuisd naar het gebergte van Efraïm, en van deze tak is Elkana afgestamd. Micha's Leviet kwam van Bethlehem naar het gebergte van Efraïm, Richteren 17:8.
Gezinnen van leraren zijn evengoed als anderen onderhevig aan verplaatst te worden. Misschien wordt er nota van genomen, dat zij oorspronkelijk Efrathieten waren, om hun verwantschap met David aan te tonen. Deze Elkana woonde te Rama, of Ramathaim, hetgeen betekent: het dubbele Rama, de hogere en lagere stad, hetzelfde als Arimathea, waarvan Jozef was, hier genoemd Ramathaïm-Zofim. Zofim betekent wachters, waarschijnlijk was daar een van de profetenscholen, want profeten worden wachters genoemd, de Chaldeeuwse paraphrast noemt Elkana een discipel van de profeten. Het komt mij echter voor dat in Samuël de profetie is herleefd, daar er geruimer tijd vóór hem geen openbaar gezicht was, Hoofdstuk 3:1. Ook wordt van geen profeet des Heeren melding gemaakt van Mozes tot op Samuël, behalve in Richteren 6:8. Zodat wij geen reden hebben om te denken dat daar een kweekschool van profeten was, voordat Samuël zelf er een gesticht had, Hoofdstuk 19:19, 20. Dit nu is het bericht van Samuëls afkomst en de plaats van zijn geboorte.
Laat ons nu kennis nemen van de toestand van zijn familie.
I. Het was een Godvruchtige familie. Alle families in Israël behoorden dit te zijn, maar wel zeer bijzonder de familie van een Leviet. Leraren moeten voorbeelden zijn voor Godsdienst in het gezin. Bij de plechtige feesten ging Elkana op naar de tabernakel te Silo om te aanbidden en om te offeren de Heere van de heirscharen. Ik meen dat dit de eerste maal is in de Schrift dat God de Heere van de heirscharen Jehovah Zebaoth, wordt genoemd, een naam bij welke Hij later zeer dikwijls genoemd werd en bekend is geweest. Waarschijnlijk is de profeet Samuël de eerste geweest, die deze titel van God gebruikt heeft ter vertroosting van Israël, toen in zijn tijd hun heirscharen weinigen en zwak waren, en die van hun vijanden talrijk en machtig, het zou hun dan tot steun wezen om te denken dat de God die zij dienden, de Heere is van de heirscharen van al de heirscharen, beide van hemel en aarde, vrijmachtig over hen gebiedt en hen Zijn welbehagen laat doen.
Elkana was een Leviet van het land, voorzoveel blijkt had hij geen plaats of ambt, waardoor zijn tegenwoordigheid in de tabernakel werd vereist, maar is hij als gewoon Israëliet derwaarts opgegaan met zijn eigen offeranden, om zijn naburen daartoe aan te moediger en hun een goed voorbeeld te geven. Als hij offerde, aanbad hij, gebeden en dankzeggingen aan zijn offeranden toevoegende. In deze Godsdienstige handeling was hij trouw en standvastig, want hij ging jaarlijks op.
En hetgeen dit te meer prijzenswaardig in hem maakte, was:
1. Dat er toen een algemeen verval en veronachtzaming was van de Godsdienst in het volk. Sommigen van hen aanbaden andere goden en de grote meerderheid was nalatig in de dienst van de God Israëls, en toch heeft Elkana vastgehouden aan zijn oprechtheid, wat anderen ook deden, zijn besluit stond vast, dat hij en zijn huis de Heere zouden dienen.
2. Dat Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, de mannen waren, die nu voornamelijk gebruik" werden in de dienst van het huis Gods, en zij waren mannen, die zich zeer slecht gedroegen in hun plaats en ambt, zoals wij later zien zullen, en toch ging Elkana op om te offeren. God had toen Zijn volk aan een plaats en een altaar gebonden, en hun verboden om-onder welk voorwendsel ook-elders te gaan aanbidden, en daarom is hij uit zuivere gehoorzaamheid aan dit gebod naar Silo opgegaan, indien de priesters hun plicht niet deden, wilde hij toch de zijn doen. Gode zij dank, onder het Evangelie zijn wij niet aan een plaats, noch aan een geslacht gebonden, maar de herders en leraars, die de verhoogde Heiland aan Zijn kerk heeft gegeven, zijn die alleen, wier bediening strekt tot de volmaking van de heiligen, en tot opbouwing des lichaams van Christus, Efeziers 4:11, 12. Zij hebben geen heerschappij over ons geloof, maar onze verplichting is aan hen, die de helpers zijn van onze heiligheid en blijdschap, niet aan hen, die door hun ergerlijke onzedelijkheid, zoals Hofni en Pinehas, maken dat de offeranden des Heeren veracht worden, hoewel toch de kracht en geldigheid van de sacramenten niet afhangen van de reinheid van hem. die ze bedient.
II. Toch was het een verdeeld gezin, een onenige familie, en die verdeeldheid bracht beide schuld en smart teweeg. Waar Godsvrucht is, is het wel jammer dat er niet ook eensgezindheid is. De verenigde Godsvrucht van een gezin behoort de verdeeldheid er in te doen eindigen.
1. De oorzaak van deze verdeeldheid was, dat Elkana twee vrouwen had getrouwd, dat een overtreding was van de oorspronkelijke instelling van het huwelijk, waartoe onze Zaligmaker het terugbracht, Mattheus 19:5, 8. Van de beginne is het alzo niet geweest. Dit heeft kwaad gesticht in het gezin van Abraham, en van Jakob, en nu hier in dat van Elkana. Hoeveel beter voorziet de wet Gods voor ons welzijn in deze wereld, dan wij het zouden doen indien het aan ons ware overgelaten! Waarschijnlijk heeft Elkana Hanna het eerst gehuwd en, omdat hij niet zo spoedig kinderen bij haar had als hij gehoopt heeft, huwde hij Peninna, die hem wel kinderen baarde, maar in andere zaken een kwelling voor hem was. Aldus worden de mensen dikwijls geslagen met roeden, die zij zelf gemaakt hebben.
2. Hetgeen op deze dwaling volgde was, dat de twee vrouwen niet met elkaar overweg konden. Zij hadden verschillende voorrechten. Peninna was, evenals Lea, vruchtbaar, en had veel kinderen, dat haar vreedzaam en dankbaar had moeten maken, hoewel zij slechts een tweede vrouw-een ondervrouw-was en minder bemind werd. Hanna was, evenals Rachel, kinderloos, maar zij was zeer dierbaar aan haar man,. en hij nam alle gelegenheden waar, om dit aan haar en aan anderen te doen weten, en menig aanzienlijk deel gaf hij haar, vers 5, en dit had haar gerust en dankbaar moeten maken.
Maar zij waren van verschillenden aard en karakter, Peninna kon de zegen van de vruchtbaarheid niet dragen, zij werd hoogmoedig en beledigend, Hanna kon de beproeving van de onvruchtbaarheid niet dragen, maar werd neerslachtig en ontevreden, en zo had Elkana een moeilijk leven tussen die beide.
A. In weerwil van die ongelukkige verdeeldheid in zijn gezin bleef Elkana het altaar Gods bezoeken, en nam zijn vrouwen en kinderen mede, opdat, zo zij het in andere dingen niet eens konden zijn, zij toch eensgezind zouden wezen in de aanbidding Gods. Als de Godsdienstoefeningen van een gezin de verdeeldheid niet kunnen doen ophouden, zo laat die verdeeldheid dan toch de Godsdienstoefeningen niet doen ophouden.
B. Hij deed alles wat hij kon om Hanna te bemoedigen, en haar te steunen onder haar beproeving, vers 5. Op de feesten offerde hij dankoffers en smeekte om vrede in zijn gezin, en als hij en de leden van zijn gezin hun deel van het offer gingen eten ten teken van hun gemeenschap met God aan Zijn altaar gaf hij aan Peninna en haar kinderen wèl het hun toekomende deel, maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, het keurigste dat op tafel kwam, en dat-waarin het ook bestond-bij zulke gelegenheden gegeven werd aan hen, voor wie men de meeste achting en waardering had. Dit deed hij ten teken van zijn liefde voor haar, en om er haar alle mogelijke bewijzen van te geven.
Merk op:
a. Elkana beminde er zijn vrouw niet minder om dat zij onvruchtbaar was. Christus heeft zijn kerk lief niettegenstaande haar zwakheden, haar onvruchtbaarheid, en zo behoren mannen hun eigen vrouwen lief te hebben, Efeziers 5:25. Onze rechtmatige liefde jegens iemand van onze betrekkingen te verminderen vanwege een zwakheid, een gebrek, waaraan zij niets kunnen doen, dat hun zonde niet is maar hun beproeving, dat is Gods voorzienigheid in strijd te brengen met Zijn gebod, en- hetgeen zeer onvriendelijk is-aan de beproefden nog meer beproeving toe te voegen.
b. Hij legde er zich op toe om haar nog zoveel te meer zijn liefde te tonen, omdat zij in beproeving was, beledigd werd en er zich ongelukkig onder gevoelde. Het is wijsheid en plicht om de zwaksten te ondersteunen en de nedergebogenen op te richten.
c. Hij toonde zijn grote liefde voor haar door het deel, dat hij haar gaf van de dankoffers. Zo moeten wij onze genegenheid tonen aan onze bloedverwanten en vrienden door veel voor hen te bidden. Hoe meer wij hen liefhebben, des te meer plaats wij hun moeten geven in ons gebed.
C. Peninna was uiterst gemelijk en tergend.
a. Zij verweet Hanna haar beproeving, verachtte haar omdat zij onvruchtbaar was, sprak smalend tot haar als tot iemand aan wie de hemel geen gunst wilde betonen.
b. Zij benijdde haar haar deel in de liefde haars mans, en hoe vriendelijker deze voor haar was, hoe meer zij zich jegens haar verbitterde, hetgeen uiterst laag en wreed was.
c. Zij was het meest aldus hatelijk en tergend, als zij opgingen naar het huis des Heeren, misschien omdat zij dan meer dan op andere tijden in elkanders gezelschap waren, of omdat Elkana dan de meeste genegenheid aan Hanna betoonde. Maar het was zeer zondig om op zulke tijden haar boosheid aan de dag te leggen, wanneer reine handen opgeheven moesten worden bij Gods altaar, zonder toorn en twisting. Het was ook zeer onvriendelijk om op zulke tijden Hanna te tergen, niet alleen omdat zij dan in gezelschap waren en anderen het zouden opmerken, maar omdat Hanna dan begeerde haar Godsdienstplichten waar te nemen, en daarbij kalm en rustig wilde zijn, en niet gestoord wenste te worden. De grote vijand van onze reinheid en onze vrede is het ijverigst in de weer om ons te ontroeren, wanneer wij de meeste behoefte hebben aan kalmte en rust. Als de kinderen Gods komen om zich voor de Heere te stellen, dan zal Satan niet in gebreke blijven, om in het midden van hen te komen, Job 1:6. Zij bleef dit doen van jaar tot jaar, niet een of twee maal, maar het was haar voortdurende gewoonte, noch eerbied voor haar echtgenoot, noch medelijden met Hanna kon haar van die gewoonte afbrengen, en
Eindelijk. Wat zij bedoelde was, haar te vergrimmen, misschien in de hoop van haar het hart te breken, zodat zij dan het hart haars mans onverdeeld zou bezitten. Of wel, omdat zij vermaak schepte in haar droefheid, en Hanna kon haar ook niet meer genoegen doen dan door treurig te zijn. Het is een bewijs van een slechten gemoedsaard om er behagen in te vinden diegenen verdriet aan te doen, die treurig en bezwaard van geest zijn, en diegenen te vergrimmen, die reeds tot onrust en droefgeestigheid gestemd zijn. Wij behoren elkanders lasten te dragen, niet er aan toe te voegen.
D. De arme Hanna kon de terging niet dragen, zij weende en at niet, vers 7. Het maakte haar onrustig voor zichzelve en voor haar betrekkingen. Zij at niet aan het feestmaal, haar verdriet benam haar de eetlust, maakte haar ongeschikt voor het gezelschap, een wanklank in de harmonie van de vreugde van het gezin. Het was van de offermaaltijd, dat zij niet at, want zij mochten in hun leed niet eten van de heilige dingen, Deuteronomium 26:14 , Leviticus 10:19. Maar het was haar zwakheid om zich zo toe te geven in droefheid van de wereld, dat zij opgeschikt was voor heilige blijdschap in God. Zij, die droefgeestig van aard zijn en tergingen al te veel ter harte nemen, zijn vijanden van zichzelf en beroven zich veel van de vertroosting des levens en van de Godsvrucht. Wij bevinden dat God nota nam van die slechte uitwerking van ontevredenheid en geschillen in de huwelijken staat, die treurenden en ontevredenen bedekten het altaar des Heeren met tranen, met wening en met zuchting, zodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen wilde, Maleachi 2:13.
E. Elkana deed wat hij kon om haar te troosten. Zij heeft hem geen onvriendelijkheid verweten in zijn huwen van een andere vrouw, zoals Sara gedaan heeft, ook heeft zij Peninna geen smaad met smaad vergolden, maar nam het verdriet geheel voor haarzelve, waardoor zij een voorwerp werd van veel medelijden. Elkana toonde dat hij smart had van haar smart, vers 8. Hanna, waarom weent gij?
a. Het gaat hem zeer ter harte haar aldus overstelpt te zien van droefheid. Zij, die door het huwelijk tot een vlees geworden zijn, moeten in zoverre ook van een geest zijn, dat zij delen in elkanders leed, zodat de een niet rustig kan zijn als de ander onrustig is.
b. Hij geeft er haar een liefdevolle bestraffing ervoor. Waarom weent gij, en waarom is uw hart kwalijk gesteld? Wie God liefheeft, bestraft Hij, en dat behoren ook wij te doen. Hij brengt haar er toe om eens onderzoek te doen naar de oorzaak van haar droefheid. Hoewel zij reden had voor haar smart, moest zij toch eens bedenken, of er reden was om in die mate bedroefd te zijn, zodat zij zelfs niet van de heilige dingen kon eten. Onze droefheid, waar het ook om zij, is zondig en onmatig, als zij ons afhoudt van onze plicht jegens God en onze vertroosting in Hem verbittert, ons ondankbaar maakt voor de zegeningen en voorrechten, die wij genieten, ons vertrouwen wegneemt voor de verdere goedertierenheden Gods over ons, als zij onze blijdschap in Christus doet afnemen, en ons verhindert om onze plicht te doen jegens onze betrekkingen, en er de vertroosting van te smaken. c. Hij geeft haar te kennen dat hij alles doen zal wat in zijn vermogen is, om haar vergoeding te bieden voor hetgeen zij mist. "Ben ik u niet beter dan tien zonen? Gij weet dat gij ten volle mijne genegenheid bezit, laat dit u troosten." Wij behoren te letten op onze zegeningen en voorrechten, er kennis van te nemen, opdat wij ons niet overgeven aan bovenmatige smart over onze kruisen, want onze kruisen verdienen wij, maar onze zegeningen zijn verbeurd. Als wij de balans in evenwicht willen houden, dan moeten wij zien op hetgeen voor ons is, zowel als op hetgeen tegen ons is, want anders zijn wij onrechtvaardig jegens Gods voorzienigheid, en onvriendelijk voor onszelf. God maakt ook de ene tegenover de anderen, Prediker 7:14, en dat moeten ook wij doen.