Richteren 6:1-6
I. Wij hebben hier Israëls zonde hernieuwd: Zij deden wat kwaad was in de ogen des Heeren, vers 1. Het kind dat zich gebrand heeft past op voor het vuur, maar dit verdorven, onnadenkend volk, dat zo dikwijls smartelijk heeft geleden om zijn afgoderij, keerde er, als Gods oordelen waren weggenomen, weer toe terug. Dit volk heeft een afvallig, weerspannig hart dat door de verschrikking van Gods oordelen niet in ontzag wordt gehouden, noch zich in eer en uit dankbaarheid voor de grote dingen, die Hij voor hen gedaan had verplicht gevoelt om in Zijn liefde te blijven. De voorzienigheid Gods zal het hart en het leven van de zondaren niet veranderen.
II. Israëls benauwdheid herhaald. Dit sprak vanzelf, laat allen, die zondigen, verwachten te zullen lijden, bij "de verkeerde bewijst God zich een worstelaar,' Psalm 18:27, en Hij zal in tegenheid wandelen met hen, die in tegenheid wandelen met Hem, Leviticus 26:21, 24 Aangaande nu deze benauwdheid:
1. Zij werd over hen gebracht dooreen zeer verachtelijker vijand. God gaf hen over in de hand van de Midianieten, vers 1, niet de Midianieten in het zuiden, waar Jethro gewoond heeft, maar de Midianieten in het oosten, wier land grensde aan Moab, Numeri 22:4. Het was een volk, dat door ieder geminacht werd als onbeschaafd en zonder leiding, vandaar dat wij hier niet lezen van enigerlei koning, heer of legerhoofd onder hen, maar de macht, waarmee zij Israël zochten te verderven was een tuchteloze menigte. En wat de zaak nog harder en smartelijker maakte, was dat zij een volk waren, dat vroeger door Israël ten onder was gebracht, ja in zekere zin verdelgd was, Numeri 31:7 en toch waren nu, na bijna twee honderd jaren, de geringe overblijfselen van hen zo vermenigvuldigd en zo versterkt, dat zij instaat waren om als een zeer strenge gesel voor Israël gebruikt te worden. Zo "heeft God hen tot ijver verwekt door diegenen, die geen volk zijn," ja een dwaas volk zijn, Deuteronomium 32:21. Het geringste schepsel zal dienen om hen te kastijden, die de grote Schepper tot hun vijand hebben gemaakt. En als zij, over wie wij gemachtigd waren te heersen, weerspannig en ongehoorzaam aan ons worden, dan moeten wij wèl nagaan of wij het niet aan onze oppermachtige Heerser zijn geworden.
2. Zij werd zeer zwaar, vers 2. De hand van de Midianieten werd sterk over Israël, zuiver en alleen door hun menigte. God had beloofd Israël te vermenigvuldigen als het zand aan de oever van de zee, maar hun zonde hield hun uitbreiding tegen en verminderde hen, en toen hebben hun vijanden, ofschoon zij anders in ieder opzicht hun minderen waren, hen door hun aantal overtroffen. Zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, vers 5, niet meteen geregeld leger, om hen aan te tasten in het veld, maar in verwarde drommen, om het land te plunderen, er zich te nestelen, en zich te verrijken met de buit. Het waren niet meer dan roversbenden. En het zondige Israël, door de zonde van God gescheiden, had moed noch kracht, om hun het hoofd te bieden. Let op de ellendige verwoesting, die de Midianieten met hun benden van plunderaars in Israël hebben aangericht. Hier zien wij:
A. De Israëlieten gevangen gezet, of liever zichzelf gevangen zettende, in holen en spelonken, vers 2. Dit kwam alleen van hun eigen vreesachtigheid en lafhartigheid, waardoor zij liever wilden vluchten dan vechten, het was de uitwerking van een schuldig geweten, waardoor zij sidderden op het ritselen van een blad, en de rechtvaardige straf van hun afval van God, die aldus tegen hen streed met dezelfde verschrikkingen, waarmee Hij anders voor hen gestreden zou hebben, ware het niet hierom geweest, dan zouden wij niet anders kunnen denken, dan dat Israël volkomen opgewassen was tegen de Midianieten, volkomen instaat om hun het hoofd te bieden, maar het hart, dat God verlaat, is verloren niet slechts voor hetgeen goed is, maar ook voor hetgeen groot is. De zonde beneemt de mens moed en krachten, en maakt dat hij wegsluipt in holen en spelonken. De dag zal komen, wanneer oversten van de volken en machtigen tevergeefs tot rotsen en bergen zullen roepen om op hen te vallen.
B. De Israëlieten verarmd, zeer verarmd, vers 6. De Midianieten en de andere kinderen van het oosten, die zich bij hen voegden, om van roof en plundering te leven, zoals lang tevoren de Sabeërs en Chaldeen Job beroofd en geplunderd hebben, deze vrijbuiters deden herhaalde invallen in het land Kanaän. Dit vruchtbare land had een grote bekoorlijkheid voor hen, en door de traagheid en weelde waarin de Israëlieten door veertig jaren van rust en vrede verzonken waren, werden zij en hun bezittingen een gemakkelijke prooi voor hen. Zij kwamen op tegen hen, vers 3, zij legerden zich tegen hen, vers 4, en namen hun vee mee, inzonderheid talloze kamelen, vers 5, geen vliegende colonne om een uitval tegen hen te doen, en dan weer weg te trekken, maar zij besloten zich een weg te banen naar het hart van het land tot aan Gaza aan de westzijde, vers 4. Zij lieten de Israëlieten gerust hun akkers bezaaien, maar tegen de oogst kwamen zij alles wegroven, zij aten het op of verwoestten het, gras zowel als koren, en als zij heengingen namen zij de schapen en ossen mede, kortom, zij lieten aan Israël niets over dan hetgeen door hen, de rechtmatige eigenaars, naar de holen en spelonken gebracht werd. Nu kunnen wij hierin zien:
a. De rechtvaardigheid Gods in de straf van hun zonde. Zij hadden verzuimd God te eren met de tienden van hun inkomsten en met offeranden en hadden datgene voor Baäl bereid, waarmee God gediend had moeten worden, en nu zendt God hun rechtvaardiglijk een vijand om het "weg te nemen op zijn tijd," Hosea 2:8, 9.
b. Het gevolg van Gods wijken van een volk: als Hij heengaat, gaat alles weg, en het kwaad komt binnen. Toen Israël bij God bleef, hebben zij geoogst wat door anderen werd gezaaid Jozua 24:13, s Psalm 105:44, maar nu God hen had verlaten, oogstten anderen wat zij hadden gezaaid. Laat ons dit een aanleiding wezen, om God te loven voor onze nationale rust en vrede, en dat wij eten van het werk van onze handen.
III. Israël eindelijk ontwaakt tot het besef van Gods hand in deze rampen. Gedurende zeven jaren hebben de Midianieten jaar op jaar deze invallen bij hen gedaan, ieder opvolgend jaar nog verwoestender dan het vorige, vers 1 totdat, alle andere hulp of bijstand ontbrekende de kinderen Israëls riepen tot de Heere, vers 6 want het roepen tot Baäl had hen ten verderve gebracht, en zou hen niet helpen. Als God oordeelt, zal Hij overwinnen, en de zondaren zullen er toe gebracht worden om of voor Hem te buigen, of te breken.