Richteren 5:1-5
Het vorige hoofdstuk liet ons weten, welke grote dingen God gedaan heeft voor Israël, in dit hoofdstuk hebben wij hun dankerkentenis aan God, opdat alle eeuwen van de kerk het hemelse werk zouden leren van God te loven.
I. God wordt geloofd door een lied. Dat is:
1. Een zeer natuurlijke uiting van blijdschap: Is iemand goedsmoeds? Dat hij zinge, en heilige vreugde is de ziel en de wortel van lof en dankzegging. Het behaagt God zich verheerlijkt te achten door onze blijdschap in Hem en Zijn wonderwerken. De blijdschap van Zijn dienstknechten is Zijn verlustiging, en hun lofzangen zijn Hem een lieflijk geklank.
2. Een zeer gepast middel om de kennis te verspreiden van grote gebeurtenissen en de herinnering er aan te bewaren. Buren zullen dit lied van elkaar leren, kinderen zullen het leren van hun ouders, en zodoende zullen zij, die geen boeken hadden, of niet konden lezen, bekend gemaakt worden met deze werken van God, en het een geslacht zal aldus Gods werken loven en aanbevelen aan een ander geslacht, en Zijn mogendheden verkondigen, Psalm 145:4 en verv.
II. Debora zelf heeft, zoals blijkt uit vers 7, dit lied geschreven, totdat ik, Debora, opstond. En de eerste woorden behoren overgezet te worden: Toen zong zij, Debora. Zij gebruikte haar gaven als profetes in het samenstellen van dit lied, en de toon er van is van het begin tot het einde zeer schoon en verheven, de beeldspraak is levendig, de uitdrukkingen zijn sierlijk, en er is in geheel dit lied een bewonderenswaardige vermenging van lieflijkheid en majesteit. Geen poëzie is te vergelijken bij gewijde poëzie. En wij kunnen veronderstellen, dat zij haar macht als vorstin gebruikte om het zegevierende leger Israëls te verplichten om dit lied van buiten te leren en te zingen. Zij verwacht niet dat zij door hun gedichten haar lof zullen verkondigen en haar zullen verheerlijken, maar verlangt dat zij in dit gedicht zich met haar zullen verenigen om Gods lof te verkondigen en Hem groot te maken. Zij is het eerste kamrad geweest in de veldslag, en nu is zij het ook in de dankzegging.
III. Het werd gezongen te dien dage, niet op de eigen dag van de veldslag maar bij die gelegenheid, en spoedig daarna, zodra er een geschikte dag van dankzegging kon bepaald worden. Als wij zegen van God verkregen hebben, dan behoren wij snel en vaardig te zijn in onze dankzegging er voor, als de indruk van de ons bewezen weldaad nog vers is. Het is een rente, die op de dag uitbetaald moet worden.
1. Zij begint met een algemeen Hallelujah: Looft (of zegent, want dat is de betekenis van het Hebreeuwse woord) de Heere, vers 2. Het doel van het lied is eer te geven aan God dit wordt dus het eerst gesteld ten einde hetgeen volgt te verklaren en te leiden, zoals de eerste bede in het gebed onzes Heeren: Uw naam worde geheiligd. God wordt hier geprezen voor twee dingen:
a. Voor de wraak, die Hij gedaan heeft aan Israëls vijanden, voor de wraak van Israël op hun trotse en wrede verdrukkers, weergevende in hun schoot al het kwaad, dat zij Zijn volk gedaan hebben. De Heere is bekend als een rechtvaardig God, en de God, wiens de wrake is, door het recht dat Hij doet, Psalm. 9:17. b. De genade, die HU gaf aan Israëls vrienden, toen het volk zich gewillig heeft aangeboden om in deze krijg te dienen. God moet de eer hebben van al de goede diensten, die ons te eniger tijd gedaan worden, en hoe gewilliger zij gedaan worden, hoe meer Hij gezien moet worden in de genade die beide het willen en het volbrengen werkt. Voor deze twee dingen besluit zij dit lied in de geschiedenis te doen vermelden tot eer van de eeuwige God, vers 3. Ik, de Heere zal ik zingen, de Heere, JAHWEH, die God van onbetwistbare heerschappij en onweerstaanbare macht, de Heere, de God Israels, zal ik psalmzingen, die alles bestuurt ten goede van Zijn kerk.
2. Zij roept de groten van de wereld, die aan het boveneinde van de tafel zitten, op om acht te geven op haar lied, en kennis te nemen van het onderwerp er van. Hoort, gij koningen! neemt ter ore, gij vorsten!
a. Zij wil hen doen weten dat, hoe groot en hoog zij ook zijn, er Één boven hen is, met wie te strijden dwaasheid is, en aan wie zich te onderwerpen hun belang is, dat paarden en wagens ijdele dingen zijn om op te vertrouwen, en veiligheid of behoudenis van te verwachten.
b. Zij wil dat zij zich met haar verenigen in het loven van de God Israëls, en dat zij niet langer hun nagemaakte goden zouden prijzen, zoals Belsazar gedaan heeft, Daniël 5:4 :Hij prees de gouden en zilveren goden. Zij vermaant hen, zoals de psalmist, Psalm 2:10,11:"Nu dan, gij koningen! handelt verstandiglijk, dient de Heere met vreze."
c. Zij wil dat zij zich laten waarschuwen door het lot van Sisera, en het dus niet wagen leed te doen aan het volk van God, wier zaak God vroeg of laat tot de Zijne zal maken, als Hij het hun aangedane onrecht zal wreken.
3. Zij ziet terug op Gods vroegere verschijningen, en vergelijkt deze er mede, ten einde de hoogheerlijken werker van deze grote verlossing te meer groot te maken. Wat God doet moet ons voor de geest brengen wat Hij gedaan heeft, want Hij is dezelfde, gisteren, en heden, en tot in eeuwigheid, vers 4. Heere, toen Gij voorttoogt van Seir. Dat kan verstaan worden, hetzij:
a. Van de verschijningen van Gods macht en gerechtigheid tegen de vijanden van Israël om hen te beteugelen en ten onder te brengen, en dan komt Habakuk 3:3, 4 en verv. hiermede overeen, waar de verwoesting van de vijanden van de kerk aldus beschreven wordt. Toen God Zijn volk uit het land van Edom had geleid, heeft Hij Sihon en Og aan hen onderworpen. zo'n verschrikking en verbazing over hen doende komen, dat het hun was alsof hemel en aarde zich tegen hen hadden verenigd. Hun hart versmolt, alsof geheel de wereld om hen heen versmolten was. Of het geeft de heerlijke tentoonspreidingen te kennen van de Goddelijke Majesteit, de verbazingwekkende uitwerkselen van Gods kracht, die genoeg is om de aarde te doen beven, de hemelen te doen smelten als sneeuw voor de zon, en de bergen te doen wijken. Vergelijk Psalm 18:8. Het is er zo verre vandaan, dat Gods raadsbesluiten door enigerlei schepsel verhinderd kunnen worden, dat, als de tijd voor hun tenuitvoerlegging gekomen is, hetgeen hun in de weg scheen te staan, niet slechts voor hen zal wijken, maar er dienstbaar aan gemaakt zal worden. Zie Jesaja 64:1, 2. Of:
b. Het is bedoeld van de verschijningen van Gods majesteit en heerlijkheid in Israël, toen Hij hun Zijn wet gaf op Sinaï. Toen was het letterlijk waar: Toen beefde de aarde, ook droop de hemel. Vergel. Deuteronomium 33:2, Psalm 68:8, 9. Laat al de koningen en vorsten weten, dat dit de God is, die Debora prijst, en niet de minne, onmachtige godheden, waaraan zij hulde en aanbidding brengen. De Chaldeeuwse paraphrast past dit toe op de wetgeving, maar geeft ons een vreemde uitlegging van deze woorden: "De bergen vluchten. Thabor, Hermon en Karmel streden onder elkaar. De één zei: Laat de Goddelijke Majesteit op mij wonen, de andere zei: Laat haar op mij wonen, maar God liet haar wonen op de berg Sinai, de geringste van al de bergen." Ik veronderstel dat de bedoeling is: de minst kostelijke, of minst van waarde, omdat hij rotsachtig en onvruchtbaar is.