Richteren 17:1-6
I. Hier hebben wij Micha en zijn moeder in twist met elkaar.
1. De zoon besteelt zijn moeder. De oude vrouw had door langdurig sparen en schrapen een grote som gelds opgegaard-elf honderd zilverlingen. Waarschijnlijk was het haar bedoeling om bij haar dood dat geld aan haar zoon na te laten, maar intussen deed het haar genoegen die zilverstukken te zien en te tellen. De jonge man had een gezin van volwassen kinderen, want een van zijn zonen was al van de leeftijd om priester te zijn, vers 5. Hij weet waar het geld van zijn moeder is, denkt dat hij het meer nodig heeft dan zij, kan niet wachten tot zij sterft, maar neemt het heimelijk weg om het voor zijn eigen gebruik aan te wenden. Hoewel het verkeerd is in ouders om hun kinderen te onthouden wat betamelijk is, en hen aldus in verzoeking te brengen om te wensen hen in hun graf te zien, zal zelfs dit toch volstrekt de slechtheid niet verontschuldigen van die kinderen, welke hun ouders bestelen, en denken dat alles het hun is wat zij van hen kunnen verkrijgen, al is het ook door nog zo verkeerde middelen.
2. De moeder vloekt de zoon, of wie het ook zij, die haar geld gestolen heeft. Zij scheen haar zoon te verdenken, want toen zij vloekte, deed zij het zo luid in zijn oren en met zoveel heftigheid en hartstocht, dat zijn oren er van klonken. Zie welk een kwaad de geldgierigheid aanricht, hoe alle plichtsgevoel en lieflijkheid tussen bloedverwanten er door verdorven wordt. Het was de geldgierigheid, die Micha zozeer zijn plicht jegens zijn moeder deed vergeten, dat hij haar bestal, en die haar dus onvriendelijk maakte jegens haar zoon, dat zij hem vloekte, indien hij het had en het verborgen hield. Uitwendige verliezen drijven Godvruchtige mensen uit tot gebed, maar brengen slechte mensen aan het vloeken. Het geld van deze vrouw was haar god, zelfs vóór het nog tot een gesneden of gegoten beeld was gemaakt, want anders zou het verlies er van haar niet in zo'n drift hebben ontstoken dat zij alle regelen van betamelijkheid en Godsvrucht vergat. Het is zeer dwaas in hen, die toornig zijn, om hun vloeken daarheen te werpen, gelijk iemand, die veinst te razen vuursprankels, pijlen en dodelijke dingen werpt daar zij niet kunnen weten, of zij niet zullen nederkomen op het hoofd van hen, die hun het dierbaarst zijn.
II. Micha en zijn moeder met elkaar verzoend.
1. De zoon was zo verschrikt en beangstigd door de vloeken van de moeder, dat hij haar het geld teruggaf. Hoewel hij zó weinig genade had dat hij het nam was er toch genoeg genade in hem overgebleven, om het niet te durven houden, toen zijn moeder het een vloek achterna had gezonden. Hij kan niet geloven dat het geld van zijn moeder hem goed kon doen zonder de zegen van zijn moeder, ook durft hij de diefstal niet ontkennen, als hij er van beschuldigd werd, noch het geld behouden, als het door de eigenares opgevorderd werd. Het beste is om geen kwaad te doen, maar als het gedaan is dan is het het best om het ongedaan te maken door berouw, belijdenis van schuld en wederherstelling. Laat kinderen er voor bevreesd zijn, om de gebeden van hun ouders tegen zich te hebben, want ofschoon een vloek zonder oorzaak niet komen zal, zal toch de vloek, die verdiend is, met recht gevreesd kunnen worden al was deze ook in hartstocht en op onbetamelijke wijze geuit.
2. Het berouw van de zoon deed zoveel genoegen aan de moeder, dat zij haar vloeken herriep en ze in gebeden verkeerde voor het welzijn van haar zoon. Gezegend zij mijn zoon de Heere. Als zij, die zich aan een fout, een misdrijf, hebben schuldig gemaakt, het vrijwillig en openhartig erkennen, dan behoren zij geprezen te worden voor hun berouw, veeleer dan nog veroordeeld en bestraft te worden voor hun misdrijf.
III. Micha en zijn moeder komen overeen om het geld in een god te veranderen, en afgoderij in te voeren in hun gezin, en dit schijnt het eerste voorbeeld te zijn geweest van de afval van een Israëliet van God en Zijn ingestelde eredienst na de dood van Jozua en de oudsten, die hem overleefd hebben, en daarom wordt het zo in bijzonderheden verhaald. En hoewel dit slechts de aanbidding van de ware God was door een beeld tegen het tweede gebod in, heeft het toch de deur geopend voor de aanbidding van andere goden, de Baäls en de bossen, tegen het eerste en grote gebod in.
1. Het bedenksel van de moeder in deze zaak. Toen het zilver teruggegeven was, wendt zij voor dat zij het de Heere gewijd had, vers 3, hetzij voordat het gestolen was, en dan zou zij wensen te doen denken, dat dit de reden was waarom het verlies er van haar zo ter harte ging, haar zo'n droefheid was, en dat zij verwensingen had uitgesproken over hem, die het gestolen had, omdat het gewijd was en daarom verbannen, of wel nadat het gestolen was had zij de gelofte gedaan, dat zij het, zo zij het terugkreeg, aan God zou wijden, en dan zou zij de leiding van Gods voorzienigheid ten gunste van haar, waardoor zij het terug gekregen had, beschouwen als een aannemen van haar gelofte door God. "Het geld behoort mij, maar gij hebt er lust in, zo laat het dan noch het mijne noch van u wezen, maar laat ons overeenkomen om er een beeld van te maken voor Godsdienstig gebruik." Indien zij het tot een gebruik had aangewend, dat inderdaad tot de dienst en de eer van God was, dan zou dit een goede manier zijn geweest om de zaak tussen hen te schikken, maar nu was haar plan goddeloos. Waarschijnlijk was deze oude vrouw een van die, welke mee opgetogen waren uit Egypte, en wenste zij een beeld te hebben, zoals zij ze daar gezien had, nu zij wat suf begon te worden, kwamen haar de dwaasheden van haar jeugd weer voor de geest en misschien zei zij aan haar zoon, dat die manier van God te aanbidden door beelden, naar haar weten, de oude Godsdienst is geweest.
2. De bewilliging van de zoon. Toen zij de zaak voorstelde, schijnt hij geaarzeld te hebben, het tweede gebod kennende, want toen zij zei, vers 3, dat zij het bestemd had voor haar zoon om er een beeld van te maken, gaf hij het geld terug aan zijn moeder (afkerig zijnde om er toe mee te werken er een beeld van te maken) en zij gaf het de goudsmid, en liet de zaak doen naar haar begeerte, misschien hem er om afkeurende, dat hij er gewetensbezwaar tegen had, vers 4. Maar toen de beelden vervaardigd waren, was Micha, door de overreding van zijn moeder, er niet alleen mee verzoend maar er uitermate mee ingenomen, zo'n vreemde betovering oefende afgoderij, en zo krachtig werd zij ondersteund door hetgeen "van de vaderen overgeleverd is," 1 Petrus 1:18, Jeremia 44:17. Maar zie hoe de geldgierigheid van de oude vrouw toch nog gedeeltelijk de bovenhand had over haar bijgeloof, zij had al het zilver gewijd om er een gesneden en gegoten beeld van te maken, vers 3, al die elf honderd zilverlingen, maar toen het er toe kwam, dat het gedaan zou worden, heeft zij er minder dan een vijfde deel voor gebruikt, namelijk tweehonderd zilverlingen, vers 4. Zij dacht dat dit genoeg was, en in waarheid was het te veel, om te besteden aan een beeld, dat een leugenleraar is. Indien het wezenlijk aan de eer van God was gewijd, dan zou Hij zich niet aldus hebben laten afschepen met een deel van de prijs, maar Zijn toorn hebben geopenbaard over deze belediging, zoals Hij dit gedaan heeft in de zaak van Ananias en Saffira. Merk nu op: A. Wat het bederf was, dat hier ingevoerd werd, vers 5. De man Micha had een Godshuis, hij dacht dat het dit was, evengoed als dat te Silo, ja beter, omdat het van hem was, door hemzelf uitgedacht, en tot zijn eigen beschikking was, want de mensen hebben de Godsdienst graag in eigen hand, dat is in hun macht, om er naar welgevallen mee te handelen. "Een huis van de dwaling," zo wordt het door de Chaldeër genoemd, en dat was het ook inderdaad, want het was een afwijking van de weg van de waarheid, en een binnenlaten van alle bedrog. Afgoderij is een groot bedrog, en een van de ergste dwalingen. Wat hij met zijn afgoderij op de duur bedoelde-hetzij hij er dit in de beginne al of niet mee op het oog had-was beide Gods orakelen en Zijn inzettingen na te bootsen en er mee te wedijveren.
a. Zijn orakelen, want hij maakte serafim, dat is kleine beelden, om ze, als er gelegenheid voor was te raadplegen, er inlichtingen, aanwijzingen en voorzeggingen van te ontvangen. Wat de Urim en Tummim waren voor de vorst en het volk moesten deze serafim zijn voor zijn gezin, toch kon hij niet denken dat de ware God ze zou erkennen, of hem door deze antwoorden zou geven op zijn vragen en daarom steunde en bebouwde hij op de demonen, die de heidenen aanbaden, om ze te bezielen en ze hem dienstbaar te maken. Aldus moesten zij, terwijl ze de eer Gods voorwendden, maar Zijn inzettingen verlieten, onvermijdelijk tot rechtstreekse afgoderij en demonen aanbidding vervallen.
b. Zijn inzettingen. Een kamer, of een reeks van vertrekken in het huis van Micha werd bestemd om de tempel of het huis Gods te zijn, een efod, of heilig gewaad, werd bereid voor zijn priester, om er dienst in te doen in nabootsing van die, welke in de tabernakel Gods gebruikt werden, en één van zijn zonen waarschijnlijk de oudste, heiligde hij, om zijn priester te zijn. En toen hij een gesneden of gegoten beeld had opgericht, om het voorwerp van zijn aanbidding voor te stellen, is het niet te verwonderen, dat een priester door hem aangesteld, er de dienst bij verrichtte. Hier wordt geen melding gemaakt van altaar, offerande of reukwerk ter ere van deze zilveren goden, maar, een priester hebbende, heeft hij die allen waarschijnlijk ook gehad, tenzij wij veronderstellen dat zijn goden in het eerst slechts bedoeld waren om geraadpleegd te worden, niet om te worden aangebeden, zoals dit ook met Labans serafim was. Maar, evenals van andere zonden is het begin van afgoderij, gelijk één die het water opening geeft, verbreekt de dam, en hij veroorzaakt een overstroming. Hier is de afgoderij begonnen, en zij verspreidde zich als een invretende melaatsheid. Dr. Lightfoot doet ons opmerken dat, gelijk elf honderd zilverlingen hier gewijd werden aan het maken van een afgod, dat de Godsdienst verdierf, inzonderheid (gelijk wij later zien zullen) in de stam van Dan, die Simsons stam was, zo werden door ieder van de vorsten van de Filistijnen elf honderd zilverlingen gegeven om Simson te verderven.
B. Wat de oorzaak was van dit bederf vers 6. Er was geen koning in Israël, geen richter of souvereine vorst, om kennis te nemen van het oprichten van deze beelden (naar welke ongetwijfeld de inwoners van het omliggende land weldra heenstroomden) en orders te geven om ze te vernielen. Er was niemand om Micha zijn dwaling te doen inzien, hem te weerhouden van het kwaad en hem te straffen, niemand om dit kwaad intijds te fnuiken, en er aldus de verspreiding van te voorkomen. Ieder deed wat recht was in zijn ogen, en toen deden zij spoedig wat kwaad was in de ogen des Heeren. Toen zij zonder koning waren, om goede orde onder hen te bewaren, was Gods huis verlaten, werden Zijn priesters veronachtzaamd, en ging alles verkeerd en ten verderve onder hen. Zie hoe groot een zegen een goede regering is, welke redenen er zijn, dat er niet alleen "smekingen, gebeden en voorbiddingen, maar ook dankzeggingen gedaan worden voor koningen en allen, die in hoogheid zijn," 1 Timotheus 2:1, 2. Niets draagt, onder God, meer bij tot steun en bevordering van de Godsdienst in de wereld, dan de behoorlijke bedeling van deze twee grote instellingen: de overheid, of magistratuur, en de bediening van het Evangelie.