6. Enige uit het koor der dochteren Jeruzalems (
Hoofdstuk 1:3 ), die aan de poort staan en met verwondering en verbazen wijzen op den uit de verte naderenden feeststoet, voornamelijk op de boven allen uitmuntende glansrijke bruid: a) Wie is zij, die daar zo heerlijk en prachtig versierd naar de stad opkomt uit de woestijn, daar onder aan gene zijde van den Olijfberg 1) statig en met kostbaar reukwerk omgeven als rookpilaren, hoog zich verheffend, den slanken palmboom voorbij strevend, berookt met mirre en wierook, en met allerlei welriekende poeder des kruideniers 1)?
a) Hooglied 8:5.
1) De naaste omgeving van Jeruzalem was wel is waar rijk aan tuinen en plantsoen, maar verder aan de andere zijde van Bethanië op den weg naar Jericho breidde zich ene stille, onbewoonbare woestijn met doorngewas en steenhopen uit. Toen eenmaal de kinderen Israëls uit de woestijn optrokken, en met Jozua, den zoon van Nun, den Jordaan doortraden, toen vroegen de volkeren der aarde: Welk is dat uitverkoren volk, dat uit de woestijn opkomt, welriekend van geur des wierooks, gesterkt door Gods arm, om der verdiensten wille van Abraham, die God gehoorzaamde en op den berg Moria tot hem smeekte; glanzend van heilige zalfolie om der gerechtigheids wille van Izak, die gebonden werd op den berg des heiligdoms; begeleid van wonderen, om der barmhartigheids wille van Jacob, die met den Heere worstelde tot den dageraad en hen overmocht en alzo zelf te zamen met zijn twaalf stammen verlost werd?
Evenzo zal eenmaal de tweede Jozua, Jezus Christus met Zijn heerlijken bruiloftstoet uittrekken, om Zijne dan reine en heerlijke bruid, door Hem zelven met alle goud en zilver overtreffende deugden versierd, uit hare aardse woonplaats tot de bruiloft en eeuwige zalige gemeenschap der koninklijke heerlijkheid met Hem af te halen, en uit de woestijn en zonnehitte der aanvechtingen dezes levens op te voeren naar het nieuwe Jeruzalem. Dan zal ook hare schoonheid en heerlijkheid openbaar worden voor alle volkeren op aarde en door hen met verstomming bewonderd worden, als de glans en de majesteit van haren verheerlijkten Heere en Bruidegom haar weer van het aangezicht zal stralen. En gelijk Sulamith in hare schoonheid en haar van Salomo geschonken sieraad staat in tegenoverstelling van de woestijn, zodat de vrouwen in verbazing vragen: Hoe is het mogelijk, dat zulke schoonheid uit de woestijn opkomt, zo ook zullen eenmaal de volken der aarde niet begrijpen en zich verwonderen dat de nederige, door hen zo verachte, mishandelde en vervolgde bruid des Heeren zulk ene verheven schoonheid, zulk een glans der eeuwigheid bezit, en dat zij uit ellende en droefheid des levens in de woestijn der wereld zulke heerlijkheid meebrengt. Want uit de woestijn (Openbaring 2:6) zal haar Bruidegom haar halen en toch zal zij in wit, rein lijnwaad gekleed zijn. (Openbaring 9:8; 21:2)..
2) In het Oosten was het ene geliefkoosde gewoonte om bij feestelijke optochten, zo als bij ene bruiloft, niet slechts de klederen enz. met hartverkwikkende reukwerken te vervullen maar ook vóór den stoet uit edel reukwerk te branden, gelijk het ook aan het Turkse hof te Konstantinopel vroeger nog de gewoonte was om bij de geestelijke ontvangst van vreemde gezantschappen aloë en wierook in gloeiende zilveren schalen te branden. Deze gewoonte, als ook de omstandigheid, dat zowel Salomo als Sulamith hier en reeds vroeger altijd met welriekende geuren rijkelijk omgeven zijn, heeft ene diepe zin. Elke onaangename reuk is het zinnebeeld van zonde, dood, verrotting, eeuwig verderf; de welriekende geuren daarentegen zijn het zinnebeeld van de verwijdering van zonde, schuld, dood en verderf, en van de vervulling met reinheid en gerechtigheid, met vergankelijk, eeuwig leven, waarop de dood geen macht meer heeft. De Bruid des Heeren, Zijn eigen heilig lichaam, zal ook geheel doordrongen en omgeven zijn van alle welriekende geuren der eeuwige heerlijkheid, en zij, die haar in hare heerlijkheid aan de hand haars Verlossers zullen zien opgaan ter bruiloftsmaal, zullen ook reeds uit de verte een gevoel en ene duidelijke ervaring hebben van de stromen des eeuwigen levens, dat zijn geur uit haar verspreidt. -Thans leeft de begenadigde ziel (gelijk de gehele gemeente van Christus) nog in de woestijn, in den vreemde temidden van wilde gedierten en duivelen. Ofschoon zij nu hier geheel van haren Bruidegom verlaten is, wordt zij toch, zolang zij nog in het vlees leeft, nog niet tot het volkomen aanschouwen van Hem toegelaten, maar wordt door Hem door woeste streken en verzoekingen geleid. Ja zo lang zij nog niet met Hem heerst, schijnt zij van Hem verlaten te zijn. Daarom tobt zij voortdurend om tot Hem uit te gaan, opdat hoe langer hoe meer bemerke hoe lief zij hem heeft.
Als de Bruid hier wordt voorgesteld als komende uit de woestijn, en de verwondering daarover gegeven wordt, dan is ook de woestijn typisch op te vatten als beeld van verdrukking en onvruchtbaarheid en knechtschap, en het opkomen uit de woestijn, als een komen tot de vrijheid.
Van de woestijn is geen verwachting. Maar daarom wordt ook duidelijk te kennen gegeven, dat al wat de bruid is en heeft, zij al dat heeft door en van haar bruidegom.