6. Die ons ook, opdat wij tevens de middelen en wegen, die wij hebben leren kennen, zouden gebruiken en bewandelen, bekwaam gemaakt heeft, om te zijn a) dienaars van het Nieuwe Testament. En dit is een ambt niet van de letter, zoals dat van het Oude Testament, maar van de Geest en daardoor heeft Hij ons tot een veel heerlijker ambt bekwaam gemaakt dan dat van het Oude Testament was; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
a) 2 Corinthiërs 5:18. b) Hebreeën 8:6, 8.
Wat door het "ook" aan het begin van het vers wordt uitgedrukt, is het plaatsen van een tweede bekwaam maken naast het eerste in Vers 6; het eerste drukt slechts een bekwaam maken tot iets geheel bijzonders uit, namelijk tot het denken, maar het tweede tot het gehele ambt.
God heeft Paulus en zijn helpers bekwaam gemaakt tot dienaren van het nieuwe verbond. Dienaars zijn zij, want zij staan in de dienst van de Heer aller heren, terwijl hun levensdoel moet zijn diens rijk te bevorderen. Zij zijn dienaren van het nieuwe verbond, want hun arbeid is niet ten einde het oude verbond, dat door Mozes is gesticht en waarvan de wet de grondslag was, op te richten; maar het oprichten van het nieuwe verbond, waarin de genade van God in Christus Jezus in de plaats van het oude is getreden, waarin niet de vervulling van de wet, maar het geloof de voorwaarde is tot het bezitten van de zaligheid.
De uitdrukking "testament" in plaats van "verbond" is daardoor ontstaan, dat reeds in de Septuaginta het Hebreeuwse woord berit, waar van het verbond met God gesproken wordt, niet door synthéké, maar door diathéké wordt weergegeven, om uit te drukken, dat hier geen sprake is van een verdrag tussen twee, die gelijke rechten hebben, maar van een verbond, dat alleen door het initiatief van God is opgericht, waarbij dus van een stichting of beschikking van God gesproken wordt. Omdat nu het woord diathéké ook de laatste beschikking, het testament betekent, en daar het woord, in deze zin genomen, de mogelijkheid aanbood, om de noodzakelijkheid van de dood van Christus voor de oprichting van het nieuwe eeuwige verbond duidelijk te maken, is het reeds in Hebreeën 9:15 v. in deze betekenis en met dat doel gebruikt.
Het Griekse woord diathéké betekent zowel een verbond, dat tussen twee personen is gesloten (Handelingen 3:25. Romeinen 9:4), als ook de bepaling van een laaste wil van een mens, die bepaalt hoe na zijn dood met het zijne moet worden gehandeld, of een testament. De beide betekenissen van het een woord stemmen overeen met de gehele verhouding van de openbaring van God tot het menselijk geslacht; toch treedt de eerste betekenis meer in het Oude Testament op de voorgrond, waar van gestelde voorwaarden sprake was, terwijl in het Nieuwe Testament meer de andere betekenis tot haar recht komt, daar hier de dood van Christus de genade van God bewerkt en het begrip van erfenis op de voorgrond treedt. Juist genomen, zou men dus moeten zeggen: "het oude verbond - het Nieuwe Testament. " De uitdrukking "verbond" wordt echter van de oud-testamentische oekonomie op de nieuw overgedragen en deze in onderscheiding van het oude verbond het nieuwe verbond genoemd (Jeremia 31:31 v.); aan de andere kant wordt eveneens het woord Testament van de nieuwe verhouding van God op de oude overgedragen (Galaten 3:15), waarbij is op te merken dat, evenals de Hebreeuwse taal geen woord heeft voor "Testament", zo ook de Latijnse vertaling (de vulgat a) zonder onderscheid in betekenis te maken het Griekse diathéké steeds door testamentum heeft vertaald. Evenals nu de hele inhoud van de openbaringen van God, die in de oude tijden als verbond, in de latere als testament de mens zijn gegeven, onder de gemeenschappelijke naam van het Oude en het Nieuwe Testament wordt samengevat, is ook reeds Paulus in Vers 14 van ons Hoofdstuk begonnen, met deze naam alle de Schriften te noemen, waarin de openbaring is neergelegd, die naam reeds in de 3de eeuw een geheel gewone was.
Zij die de bediening van het Nieuwe Testament moeten vervullen, hebben een ambt niet van de letter, maar van de Geest; want de aard en de heerlijkheid van het Nieuwe Testament is de Geest, die meedeelt, niet de voorgeschreven letter. Weg met de mishandeling van dit woord door oude en nieuwe dweepachtige geesten, die van een dubbele zin van het woord van de Heilige Schrift praten een letterlijke en een geestelijke, om hun eigen invallen in de Schrift te lezen, of zelfs misdadig met de verwerping van het uitwendige woord, dat zij letter noemen, de Geest van God, die Zich daarin uitspreekt, verwerpen, opdat zij profeten van hun eigen goddelijke geest worden. Paulus spreekt noch van een dubbel, deels letterlijk, deels geestelijk woord van God, noch van een Geest, die Zich naast het uitwendig schriftwoord ergens zou bevinden, maar helder en duidelijk van het ambt van het Oude Testament, dat een ambt van de letter is, omdat het niet meer kan dan de wet van God met de griffel van de woorden "u moet" en "u mag niet" voor de mens neer te schrijven en het tegendeel is van het ambt van het Nieuwe Testament, dat een ambt van de Geest is, omdat het meer kan dan alleen beschrijven wat rechtvaardig, wat levend is. Het is namelijk in staat om de evangelische genadegift (van de Geest, van de gerechtigheid en van het leven mee te delen.
De wet heet letter, omdat zij de mens het uitwendige, het voorschrift voor ogen stelt, zonder dat zij zijn hart verandert. Het Evangelie heet geest, omdat door de verzoening met God in Christus en de daardoor vernieuwde gemeenschap met Hem een levende en zaligmakende geest wordt meegedeeld. Maar de wet heet niet een dode, maar een dodende letter, omdat het gebod, dat zij de mensen voorhoudt, hun de verdoemenis predikt en hen daarom rampzalig maakt.
De tegenstelling tussen "letter" en "Geest" is reeds door Vers 3 voorbereid, in zoverre daar reeds werd gewezen op een schrift in stenen tafels gegraveerd, tot hetwelk datgene, wat Christus door middel van de Geest van de levenden van God in harten heeft geschreven, de tegenstelling uitmaakte als een schrift, dat alleen oneigenlijk zo kon worden genoemd. Dienovereenkomstig wordt hier van de dienst van de nieuwe ordening van God gezegd, dat die te doen heeft met de Geest, die in Zichzelf leven is en leven kan scheppen en niet met schrift, dat slechts bekendmaking is van hetgeen het inhoudt. Omdat hier slechts sprake is van het tegenover elkaar staande van de ene en de andere regeling van God, blijft buiten aanmerking of ook in de tijd van de Oud Testamentische bediening de Geest heeft gewerkt en ook in de tijd van de Nieuw Testamentische bediening wordt geschreven. Het was het onderscheidend eigenaardige van de eerste, dat het goddelijke zich slechts aan de mens als geschreven woord voor ogen stelde, in plaats van in zijn wezen als levende en werkzame Geest Zich te openbaren. Vandaar zegt Bengel: "Ook toen hij dit schreef, heeft Paulus niet gehandeld als een dienaar van de letter, maar van de Geest. Mozes daarentegen heeft als hij de bediening van de wet handhaafde, de letter gediend; ook als hij niet schreef. " Omdat nu de natuurlijke richting van de wil van de mensen tegenover God staat, zo bestaat de voorstelling van het goddelijke in een eis, die slechts ongehoorzaamheid werkt en daardoor de dood overlevert; daarom wordt gezegd: "de letter doodt. "
De apostel heeft hier Judaïstische leraars op het oog, die zich met hun drijven van de wet boven hem, de verkondiger van de boodschap van de genade verhieven en de zielen door allerlei voorspiegelingen dreigden op het dwaalspoor te brengen, alsof hun werken heilzaam en zijn werk gevaarlijk en verderfelijk was. Hij betuigt, dat juist het tegendeel van hetgeen zij voorgaven, plaats vond; de letter, waaraan zij hun werkzaamheid wijdden, doodde, de Geest daarentegen, die hij diende, maakte levend.
In hoeverre de letter doodde, is te zien uit plaatsen als Romeinen 7:7 v. Galaten 3:10. Romeinen 4:15 Zij doodt omdat zij de zonde prikkelt en tot uitbarsting brengt en de zondaars aan het oordeel van de dood onderwerpt, terwijl zij tot het overwinnen van de zonde geen kracht schenkt. Daarentegen maakt de Geest levend, omdat Hij Zich aan de geest van de mensen mededeelt en deze tot Zichzelf opheft; vgl. Vers 17 v. Romeinen 8:9 v.
Dienst van de letter met slaafse tucht is ook onder Christenen (pausdom, koude orthodoxie), waar de wil van God alleen uit de geschreven letter wordt gekend, zonder de getuigenis van de Geest, waar alleen bevolen, geëist, gedreigd wordt, waar men gelooft en gehoorzaamt, omdat het geschreven staat, zonder inwendige ervaring van het hart, uit dwang en vrees. Daartegenover staat de dienst van de Geest, waar de Geest in het hart Gods wil, Gods genade laat voelen, waar men de inwendige getuigenis bij het woord heeft, waar men gelooft en volgt, gedreven door de Geest, die lust en aandrang instort en kracht meedeelt.