13. Dat, wat van
hoofdstuk 25 en bijzonder van
hoofdstuk 33:50 af bericht is geworden, zijn de geboden en de rechten, 1) die de HEERE door de dienst van Mozes aan de kinderen van Israël geboden heeft in de vlakkevelden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, om de vroegere wetgeving aan de berg Sinaï nu voor het intrekken in het eigenlijke Kanaän te voltooien en af te sluiten.
1) Door deze geboden en rechten werd Israël van alle andere volken onderscheiden. Ook andere oude volken, als Grieken, Romeinen, Feniciërs, Indiërs hebben op wetten en wetgevers te wijzen; maar geen wetgeving heeft zo diepe en blijvende wortels geslagen, als die, welke Mozes aan het volk van Israël bekend maakte. Wanneer er daarom van God als van de Wetgever gesproken wordt, zo heeft dit een geheel andere betekenis, dan wat van Menes bij de Egyptenaren (Diod.Sic.1:94), van Minos bij de Kretenzers (Odyss.19:179), van Lykurgus bij de Spartanen (Strabo 16:762), van Numa Pompilius bij de Romeinen, van Zoroaster bij de Arimaspers (Dio.Chrysost.Or. 36:93), van Zamolxis bij de Geten Exodus 1:94), van Zaleukus bij de Locriërs (Plut. Numeri 1:11), van Mohammed en andere wetgevers verhaald wordt. De Mozaïsche wetgeving rust op werkelijke openbaring van God en kan, zonder dat dit in het oog gehouden wordt, net zo min verstaan worden, als de uittocht uit Egypte en de veertigjarige woestijnreis, zo wij daarin de hand van God willen voorbijzien. De wet steunt op hetgeen, waartoe in de aartsvaderlijke tijd de grond gelegd was, en is de verdere ontwikkeling van die grondtrekken, welke reeds in het verbond van God met Abraham gelegd zijn. Zoals God reeds deze aartsvader uit de gemeenschap van de afgodendienst genomen heeft Jozua 24:2,3), opdat hij de ware en onzichtbare God alleen zou dienen (Genesis 14:22; 17:1), zo is van het volk, zijn nakomelingen, die hij eveneens uit de afgodische gemeenschap van Egypte uitgeleid heeft (Leviticus 17:7 Amos 5:26 Ezechiel 20:7,8 ), Jehova uitsluitend als de ene God en de onzichtbare Koning van het volk (Richteren 8:23; 1 Samuël 8:7 Jesaja 33:22 ), te vereren en elke afgodendienst te verafschuwen. Daar God verder dit volk reeds in zijn vaderen op zo bijzondere wijze aangenomen had (Psalm 105:14,15), en Hij ze uit Egypte met een machtige arm onder wonderen en tekenen uitgevoerd heeft, zo is dit volk Zijn eigendom (Exodus 19:4,5 Leviticus 26:12 Deuteronomium 29:12 ), en heeft het zich dit door onthouding van alle onreinheid en vermenging met andere volken waardig te maken.
Israël voelde, dat er meer dan de wet nodig was, maar het sloeg de rechte weg niet in. Het meende de wet aan te vullen, door zich bezig te houden met allerlei nietigheden en beuzelarijen, in plaats van door de gehele dienst geleid te worden tot het geloof in Hem, die de wet vervullen zou. Toen de hoogste van de profeten, de Christus, opstond, en de inzettingen des Heeren door werk en leer volmaakte en vervulde, verwierp het Hem en daarmee wat alleen de vloek van de wet in een zegen verkeren kan..
De hoofdsom van alle godsdienstige en zedelijke of burgerlijke, maatschappelijke plichten had God tevoren in een grondwet, de zogenaamde wet van de tien geboden ingescherpt, en deze bij onderscheidene tussenpozen in bijzondere instellingen uitgebreid en vermeerderd. Zo zijn de geboden van de eerste tafel duidelijk in het licht gesteld door veelvuldige voorschriften en bijzondere instellingen, welke alle in de eerste plaats strekten, om dit gedeelte van de zedelijke verplichtingen aan te wijzen, welke wij onmiddellijk aan God verschuldigd zijn, of die uit bijzondere eerbied jegens Hem moeten onderhouden worden. De burgerlijke wetten aan Israël gegeven, hebben wij als nadere uitbreidingen en toepassingen op bijzondere gevallen van het tweede gedeelte, of de tweede tafel van de grondwet aan te merken. Zij hebben alle op het maatschappelijk leven betrekking, en betreffen de plichten, die de ene burger aan de andere, of liever, de ene mens aan de andere verschuldigd is; want de burgermaatschappij wordt in deze wetgeving niet als een gedwongen staatkundige vereniging van aan elkaar vreemde wezens, maar als een vereniging van mensen en broeders aangemerkt. Daarom hebben dan ook deze burgerlijke wetten dit bijzondere en van alle andere, bloot staatkundige, wetgeving onderscheiden, dat zij niet op het grondbeginsel van uitwendige welvaart, maar geheel en al op dat van de zedelijke welvaart rusten, en daaruit onmiddellijk zijn afgeleid, hoewel een volk, waarbij deze nauwkeurig gevolgd werden, de hoogste welvaart genieten moest..
Deze wetten waren door God gegeven, om verdere ontwikkeling te ontvangen (Hosea8:12), zoals wij bij de profeten kunnen opmerken, en vooral bij Jezus Christus zelf (Mattheus 5). Toen echter na het terugkeren uit de Babylonische ballingschap, de profetische geest begon te versterven, daar met de nu doorgedrongen afkeer van de afgodendienst, men op het uitwendige van de wet zijn gehele hart vestigde, ontstond een gedeeltelijk reine en levendig diepe, gedeeltelijk ook overdreven achting voor de geschreven wet. Er vormde zich nu een bijzondere stand van wetgeleerden, welke openlijk scholen hielden en in groot aanzien stonden. Van toen af trachtten ook de leken naar kennis van de wet, voor welke door vervaardiging van vele geschriften gezegd werd. Afschriften van de wet bevonden zich nu spoedig niet meer alleen in handen van priesters en Levieten en de uit hen voortkomende schriftgeleerden, maar ook in het bezit van welvarenden en belangstellenden onder het volk. Aan de wetgeving kende men evenals aan de wet (Romeinen 7:12), het heilig zijn toe (2 Makk.6:23,29, beschouwde die als de bron van alle wijsheid (Sir.24:33vv.), als onvergankelijk licht (Wijsh.18:4), hield die voor eeuwig en onvergankelijk (Baruch 4:1, Philo 2:656), en strafte iedere overtreding zeer hard (Jozefus Antig. 20:4,5). Voordrachten werden in de synagogen aan de voorlezing van de wet verbonden.
Met deze geboden en rechten worden al de geboden bedoeld, welke op bevel van God door Mozes in de vlakke velden van Moab zijn gegeven, en welke moesten dienen, om de bij Sinaï gegeven aan te vullen en te verduidelijken..
SLOTWOORD
Zoals wij in ons voorwoord voor dit boek reeds opmerkten, wordt ons in Numeri meegedeeld, hoe Israël in het tijdvak, hierin beschreven, wordt voorbereid, om in Kanaän op eigen erf gesteld te worden. Alles wat daarmee middellijk of onmiddellijk in verband staat, wordt ons nauwkeurig meegedeeld. Werd in Leviticus ons bericht, hoe alles, wat God aan Israël gaf, namelijk Zijn instellingen en rechten, tot doel had de heiligheid van het onheilige volk, in Numeri worden we meer gewezen op de inrichting van Israël tot een welgeordende burgerstaat. Daarom die herhaalde bevelen, omtrent de telling van het volk, en de verordeningen, omtrent de inwoning in Kanaän, als een volk wel afgezonderd van de heidenen, als een volk, wiens roeping het wel was, om geheel voor de Heere en Zijn dienst te leven, maar dat daarom niet de rechten en de plichten, die op het burgerlijk leven betrekking hebben, mocht verwaarlozen, maar ook in zijn burgerlijke samenstelling het moest openbaren, dat het een verkregen volk van God was, wiens opperste Koning en Souverein, de Heere God zelf was. Het recht wil God dan ook zo stipt mogelijk gehandhaafd hebben, zoals duidelijk blijkt uit Numeri 27 in vergelijking met Numeri 36. Ook de geschiedkundige bijzonderheden wijzen hierop, dat Israël moest worden voorbereid op het wonen in Kanaän, als eigen en verkregen volk des Heeren. Vandaar die straf van zo veel jaren omzwerven in de woestijn, omdat het niet als volk, door de Heere geroepen en door Hem gesterkt, wilde optrekken naar Kanaän. Vandaar de vreselijke geschiedenis bij de "Lustgraven," omdat het niet als uit Gods eigen hand gevoed wilde zijn. Vandaar het oordeel van de giftige slangen en de plagen, na de afgoderij en hoererij met Baäl-Peor, omdat het óf terug verlangde naar Egypte, het land van de slavernij, óf de dienst van de afgoderij verkoos boven de dienst van hun Verbonds-God. En zowel Aärons dood als Mozes' bestraffing en aankondiging van zijn dood, moest Israël leren en erop voorbereiden, dat God, de Heere, alleen en volkomen gediend wilde worden, en dat, zou het hen in het beloofde land goed gaan, zij altijd hadden te vragen naar de wil van de Heere, terwijl de wegneming van de plagen en de vervulling van de behoeften, hen wees op een God, Die aan de ene zijde rechtvaardig en heilig is, maar aan de andere zijde ook barmhartig en genadig; Die de zonde niet ongestraft kan laten, maar ook voor de berouwhebbende zondaar, uit vrije gunst en goedertierenheid, een God van genade en barmhartigheid is. Wat op Gods bevel door Mozes veranderd werd, omtrent de waarneming en bediening van de Godsdienst en van het Heiligdom, had evenzeer betrekking op hun wonen in Kanaän. Deze wetten werden gegeven met het oog op de straks veranderde toestanden van het volk, en vulden aan, wat reeds vroeger door de Heere was bevolen. En zo blijkt dan ook uit dit boek, hoe de Heere God Israël vaderlijk heeft geleid, terwijl al de omstandigheden de bijzondere beschikkingen van Zijn straffende en zegenende hand rechtvaardigen.. Onder de opmerkelijke gebeurtenissen, die dit boek bevat, merkt men op: 1. De wonderbaarlijke wijze, waarop de Israëlieten veertig jaren lang in de woestijn gevoed en gedrenkt werden, voorafschaduwende de zegeningen, die het Evangelie van Christus over de gelovige gedurende hun aardse pelgrimsreis uitstort. (Vergel. Exodus 16:34. 2. De herhaalde murmureringen van het ongelovige volk. 3. De verschrikkelijk oordelen van God over hen, als straf voor hun oproerigheden en tot voorbeeld voor ons. 4. De wonderdadige genezing van de door slangen dodelijk gebeten Israëlieten, die op het zien naar de van God verordende koperen slang genezen werden. (hoofdstuk 21). 5. De vergeefse pogingen van Balak, koning van de Moabieten, om Israël te doen vloeken door de goddeloze profeet Bileam (hoofdstuk 22-24). De meest opmerkelijk personen, die in Numeri genoemd worden, zijn behalve Mozes: zijn godvruchtige en trouwe staatsdienaar, die bij de dood van Mozes door God verkoren werd, om het volk van Israël in het beloofde land Kanaän te brengen; -Korach, Dathan en Abiram, die met hun bendes levend in de aarde verzwolgen werden, vanwege hun opstand tegen God, en Bileam, de slechte profeet, die uit geldliefde het volk Israël wilde vervloeken, om de bijgelovige koning van Moab te believen. In het boek Numeri openbaart God zich door een reeks van wondervolle tussenkomsten van Zijn voorzienigheid; tevens rechtvaardigen al de omstandigheden de buitengewone beschikkingen van Zijn straffende en genaderijke hand, en tonen in ieder opzicht de bestaanbaarheid van deze met Zijn goddelijke bedoelingen en met de wet, die Hij heeft in gesteld.
Niemand legt het boek ongelezen neer, wanneer hij verneemt, dat het zijn naam draagt naar twee tellingen van Israël, of uit de opschriften hier en daar bemerkt, dat hierin bijzondere instellingen van God voor Zijn volk zijn opgetekend. Ook in die tellingen, ook in die wetten is de bijzondere zorg van Israëls Koning en Wetgever te zien, terwijl de Heilige Schrift ons overal de liefelijkste afwisselingen schenkt. Naast de velden, waarop gij de afgemaaide voorgeslachten ziet, liggen de groene weiden, en na de optelling van de rustplaatsen in de woestijn, ontmoet gij Kanaän met zijn vrijsteden, die u zondaar dringen tot de enige vrijstad Jezus Christus. De geschiedenissen van het water uit de rots, van Aärons dood, van de koperen slang, van Bileam en anderen, behoren tot de schoonste en treffendste van de Heilige Schrift..