Numeri 36:1-4
Wij hebben hier het nederig betoog door de hoofden van de stam van Manasse gehouden voor Mozes en de oversten vanwege de order, die onlangs vastgesteld was betreffende de dochters van Zelafead. Het geslacht, waartoe zij behoorden, was een deel van de halve stam van Manasse, wier erfdeel zal liggen binnen Kanaän, niet die halve stam, die alreeds gevestigd was, en toch spreken zij van het land van hun bezitting en het erfdeel van hun vaderen met evenveel zekerheid, alsof zij het reeds in handen hadden, wetende op wie zij vertrouwden. In hun toespraak is op te merken:
1. Dat zij eerlijk en trouw de order citeren die voor dit geval was vastgesteld, niet voorstellen om haar teniet te doen, maar er zeer gaarne in willen berusten, vers 2, De Heere heeft geboden de erfenis van onze broeder Zelafead te geven aan zijn dochters, en zij zijn met die schikking zeer ingenomen, daar niemand van hun wist, of zich niet eens een dergelijk geval in hun eigen familie zal voordoen, wanneer dan hun dochters van het voordeel van deze wet zullen genieten.
2. Maar zij stellen de moeilijkheid in het licht, die hieruit zou kunnen voortkomen, indien de dochters van Zelafead het zouden goedvinden om met iemand uit een anderen stam te huwen, vers 3. En het is mogelijk dat dit niet een bloot vermoeden of veronderstelling was maar dat zij wisten dat haar door jongelieden uit andere stammen het hof werd gemaakt, omdat zij erfdochters waren, ten einde voet te krijgen in deze stam en aldus hun eigen erfdeel te vermeerderen. Dit heeft men inderdaad bij het aangaan van huwelijken dikwijls meer op het oog, dan het wel moest. Het is niet de geschiktheid van de persoon, maar de goede bezitting, die in aanmerking komt, de zucht om huis aan huis te trekken, en akker aan akker te brengen, maar waartoe dient een erfenis in die betrekking zonder wijsheid? Maar hier kunnen wij veronderstellen, dat de persoonlijke hoedanigheden van deze dochters ze aanbevolen hebben zowel als haar fortuin. Hoe dit nu zij: de hoofden van haar stam voorzagen het kwaad dat hieruit zou voortkomen, en brachten de zaak voor Mozes, opdat hij de Godsspraak er over zou raadplegen. Voor de moeilijkheid, die zij opwerpen, zou God hebben kunnen voorzien bij de vorige order in die zaak gegeven, maar om ons te leren dat wij voor onze zaken niet alleen moeten letten op de leiding van Gods voorzienigheid, maar ook ons verstand moeten gebruiken, heeft God er geen aanwijzing voor gegeven, totdat zij, wie dit aanging, wijselijk de moeilijkheid hebben voorzien, en zich vromelijk tot Mozes hebben gewend om er een regel voor vastgesteld te krijgen. Want hoewel zij als hoofden van hun geslacht hun gezag over deze dochters van Zelafead hadden kunnen uitoefenen bij de beschikking over zichzelf, inzonderheid terwijl haar vader gestorven was en het gemeenschappelijk belang van hun stam hierbij betrokken was, hebben zij zich toch liever voor deze zaak tot Mozes gewend, en wel met zeer goede uitslag Wij moeten niet begeren rechters te zijn in onze eigen zaak, want het is moeilijk om dit te zijn met onpartijdigheid. Het is in vele zaken gemakkelijker goede raad aan te nemen dan te geven, en het is aangenaam om onder leiding en bestuur te zijn. In hun voorstelling van de zaak hebben zij twee dingen op het oog:
1. Om de Goddelijke bepalingen van de erfdelen in stand te houden. Zij voeren het bevel aan, vers 2, dat het land door het lot aan de onderscheidene stammen gegeven zou worden, en zij wijzen er op, dat het inbreuk zou maken op de Goddelijke bepaling, indien zo'n aanzienlijk deel van het lot van Manasse door een huwelijk in een andere stam overgebracht zou worden, want de kinderen, die uit dit huwelijk geboren zouden worden, zouden naar de stam van hun vader, en niet naar die van hun moeder genoemd worden. Dit zou nu wel het lot van de bijzondere personen van die stam niet verminderen (zij zouden het hunne blijven bezitten) maar het zou het lot van de stam in het algemeen verminderen, hem minder sterk en aanzienlijk maken. Daarom achtten zij te moeten opkomen voor het welzijn van hun stam, en misschien waren zij te meer bezorgd hieromtrent, omdat hij toch al zeer verzwakt was door de vestiging van de ene helft er van aan deze zijde van de Jordaan.
2. Om twist en krakeel onder het nageslacht te voorkomen. Indien er van andere stammen onder hen zouden komen, dan zou hieruit wellicht strijd kunnen ontstaan. In verloop van tijd zouden hun recht en aanspraak betwist kunnen worden, en hoe een grote hoop hout zou door dit kleine vuur aangestoken worden! Het is de plicht van hen, die goederen hebben in deze wereld, om zulke schikkingen er voor te maken, dat er geen twist over ontstaat onder het nageslacht.