Numeri 26:1-4
Merk hier op:
1. Dat Mozes het volk niet anders geteld heeft, dan wanneer God het hem gebood. David heeft het in zijn tijd gedaan zonder een gebod van God, en het is hem duur te staan gekomen. God was Israëls koning, en Hij wilde niet, dat die daad van gezag gedaan zou worden, dan op Zijn uitdrukkelijk bevel. Mozes had nu misschien gehoord van de zegen, die Bileam, zeer tegen zijn zin en wil, genoodzaakt was geweest over Israël uit te spreken, en in het bijzonder van zijn nota nemen van hun aantal en dit getuigenis van hun kracht en heerlijkheid, afgelegd door een tegenstander, behaagt hem wel, ofschoon hij het juiste getal van het volk niet kent, voordat God hem nu zegt er de som van op te nemen.
2. Eleazar wordt hem voor die opdracht toegevoegd, zoals Aaron het tevoren geweest is, waardoor God Eleazar eerde voor de oudsten van zijn volk en hem bevestigde in de opvolging.
3. Het was terstond na de plaag, dat die telling bevolen werd, om te tonen dat God in Zijn gerechtigheid wel met hen gestreden heeft in die alles-wegvagende pestilentie, maar toch geen einde met hen gemaakt had, noch hen geheel en al zou verstoten. Gods Israël zal niet aan het verderf worden prijsgegeven al worden zij ook streng gekastijd.
4. Zij moesten nu dezelfde methode volgen als bij de eerste telling, alleen diegenen tellende die ten heire uittrekken, want dat was de dienst, die zij thans hadden te volbrengen.