Richteren 8:22-28
I. Wij hebben hier Gideons prijzenswaardige bescheidenheid na zijn grote overwinning, in zijn afwijzen van de regering, die het volk hem wilde opdragen.
1. Het was goed en eerlijk in hen om hem de regering aan te bieden, vers 22. Heers over ons, dewijl gij ons verlost hebt. Zij achtten het zeer billijk dat hij, die de moeite en het gevaar had doorstaan van hun verlossing nu ook de eer en de macht zou hebben om altijd over hen te heersen, en zeer wenselijk, dat hij, die in dit grote kritieke tijdsgewricht zulke onmiskenbare en duidelijke tekenen heeft gehad, dat God met hem was, voor altijd het bestuur van hun zaken in handen zou hebben. Laat ons dit toepassen op de Heere Jezus. Hij heeft ons verlost uit de handen van onze vijanden, van onze geestelijke vijanden, de ergste en gevaarlijkste, en daarom is het voegzaam, dat Hij over ons zal regeren, immers hoe zouden wij beter geregeerd kunnen worden dan door Hem, die zo'n grote invloed blijkt te hebben in de hemel, en zo'n grote vriendelijkheid heeft voor deze aarde? Wij zijn verlost, opdat wij "Hem dienen zouden zonder vrees" Lukas 1:74, 75.
2. Het was edel in hem om het af te wijzen vers 23. Ik zal over u niet heersen. Wat hij gedaan heeft had ten doel hen te dienen, niet over hen te heersen, hen veilig te doen zijn hen gerust en gelukkig te maken, niet om zichzelf groot of voornaam te maken. En gelijk hij niet eerzuchtig was voor zichzelf, naar geen grootheid streefde voor zichzelf, zo heeft hij ook geen grootheid of macht begeerd voor zijn kinderen, zijn geslacht. "Mijn zoon zal over u niet heersen, hetzij bij mijn leven of na mijn dood, maar de Heere zal over u heersen, en uw richters aanstellen dooreen bijzondere aanwijzing van Zijn Geest, zoals Hij gedaan heeft. Hieruit blijkt zijn bescheidenheid en de geringe dunk, die hij had van zijn eigen verdiensten. Hij achtte dat de eer om goed te doen beloning genoeg was voor al zijn diensten, die niet verder beloond behoefden te worden met de eer van heerschappij te voeren, Iaat hem, die de grootste, de meeste van u is, uw dienaar zijn.
b. Zijn Godsvrucht, en het hoge denkbeeld, dat hij had van Gods regering. Misschien bespeurde hij in het volk een afkeer van de theocratie, of Godsregering, een begeerte, om een koning te hebben zoals de andere volken, en zijn verdiensten zouden een schoonschijnend voorwendsel hebben opgeleverd om deze verandering van regeringsvorm voor te stellen. Maar Gideon wilde dit volstrekt niet erkennen. Geen Godvruchtig man kan behagen scheppen in een eer, die hem aangedaan wordt, maar die alleen aan God toekomt. "Zijt gij in Paulus' naam gedoopt?" 1 Corinthiers 1:13.
II. Gideons ongeregelde ijver om de gedachtenis aan deze overwinning te vereeuwigen door een efod, vervaardigd uit het kostelijke van de buit.
1. Hij vroeg aan de mannen van Israël om hem de voorhoofdsierselen uit hun roof te geven, want zij hadden een grote menigte van zulke sieraden van de verslagenen weggenomen. Dezen eiste hij, hetzij omdat zij van het fijnste goud waren vervaardigd, en daarom het voegzaamst voor een Godsdienstig gebruik, of omdat zij als voorhoofdsierselen misschien een bijgelovige betekenis hadden waaraan hij te veel waarde hechtte. Aäron vraag om de gouden oorsierselen, om er het gouden kalf van te maken, Exodus 32:2. Om deze vroeg Gideon, vers 24. en hij had reden genoeg om te denken dat zij, die hem een kroon hadden aangeboden, hem, toen hij haar afwees, hun voorhoofdsierselen niet zouden weigeren, als hij er om verzocht, en dat hebben zij ook niet, vers 25. 2. Hij zelf gaf als zijn bijdrage de buit die hij van de koningen van Midian genomen had, en die hem ten deel schijnt gevallen te zijn, vers 26. De generaals hadden het prachtigste van de buit, een buit van verscheiden verven, Hoofdstuk 5:30.
3. Daarvan maakte hij een efod, vers 27. Dit was plausibel genoeg, en kon bedoeld zijn om in de eigen stad des richters de gedachtenis te bewaren van zo groot een overwinning door God geschonken. Maar het was zeer onvoorzichtig om het gedenkteken in een efod een heilig kledingstuk te doen bestaan. Aan de daden en handelingen van Godvruchtige mannen zou ik gaarne de beste uitlegging willen geven, en wij zijn er zeker van, dat Gideon een Godvruchtig man was. Maar wij hebben reden te vermoeden, dat bij deze efod ook serafim gevoegd waren, Hosea 3:4, o en dat hij, daar er op Gods bevel reeds een altaar gebouwd was, Hoofdstuk 6:26, dat hij ten onrechte dacht nog voor offeranden te mogen gebruiken, die efod bestemd had tot een orakel, dat in moeilijke of twijfelachtige gevallen geraadpleegd mocht worden. Dit is de veronderstelling van de geleerde Dr. Spencer. Daar iedere stam thans zoveel mogelijk zijn eigen regering had, waren zij maar al te zeer geneigd om ook voor hun Godsdienstoefeningen in hun eigen stam te kunnen blijven. In geheel de geschiedenis van de richteren lezen wij zeer weinig van Silo en de ark aldaar. Soms door de beschikking Gods en veel vaker door de overtreding van de mensen, schijnt de wet, die hen verplichtte, om alleen op dat een altaar te offeren, niet zo stipt opgevolgd als men gedacht zou hebben, niet meer dan later, toen, zelfs onder de regering van zeer Godvruchtige koningen, de hoogten niet werden weggenomen, waaruit wij kunnen afleiden, dat deze wet een hogere betekenis had als type van Christus, door wiens middelaarschap alleen onze diensten Gode welbehaaglijk zijn. Door onwetendheid dus of door onnadenkendheid heeft Gideon gezondigd in deze efod te maken hoewel hij er een goede bedoeling mee had. Weliswaar, Silo was niet ver, maar het was in de stam van Efraïm, en die stam was onlangs helemaal niet vriendelijk of beleefd jegens hem geweest, vers 1, hetgeen wellicht een reden was, waarom hij niet graag zo dikwijls onder hen ging als de gelegenheid er zich toe aanbood om het orakel te raadplegen, en daarom wenste hij er een meer in zijn nabijheid te hebben. Hoe goed en eerlijk dit ook nu bedoeld moge zijn, en hoewel het in de beginne weinig kwaad deed, is het toch geschied, dat in vervolg van tijd:
a. Israël die efod nahoereerde, dat is, zij verlieten Gods altaar en priesterschap, daar zij veel van verandering hielden, en zeer geneigd waren tot afgoderij, en een voorwendsel hebbende om deze efod enige eerbied te betonen, omdat zo Godvrezend een man als Gideon hem had opgericht, is die eerbied trapsgewijze overgegaan in bijgeloof. Door een verkeerde stap van een Godvruchtig man worden velen op verkeerde wegen geleid. Het begin van de zonde, inzonderheid van afgoderij en eigenwillige aanbidding, is als een opening gegeven aan het water, gelijk dit gebleken is in het noodlottig bederf van de kerk van Rome, en daarom: verlaat het eer het zich vermengt.
b. Het werd Gideon zelf tot een valstrik, zijn ijver verminderde voor het huis Gods toen hij oud was geworden. En nog veel meer werd het tot een strik voor zijn huis, de leden van zijn gezin werden er door tot zonde gebracht, zodat het het verderf van dit geslacht tengevolge had.
III. Gideons gelukkige werkzaamheid voor de rust van Israël, vers 28. De Midianieten die zo'n kwelling voor hen geweest weren, verontrustten hen niet meer. Gideon, hoewel hij de eer en de macht van een koning niet wilde aannemen, regeerde hen als richter en deed zijn volk al de goede diensten, die hij kon, zodat het land rustig was veertig jaren. Totnutoe is Israëls tijd bij veertigtallen gerekend, Ehud tachtig, Barak veertig, en nu ook Gideon veertig. Gods voorzienigheid beschikte het zo om de veertig jaren van hun omwandelingen in de woestijn in de herinnering te brengen: "veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht." Zie Ezechiël 4:6. Daarna heeft Eli veertig jaren geregeerd, 1 Samuël 4:18. Samuël en Saul veertig jaren, Handelingen 13:21. David veertig jaren en Salomo veertig jaren.