Numeri 33:50-56
Terwijl de kinderen Israëls in de woestijn waren, heeft hun algehele afzondering van andere volken hen uit de weg gehouden van verzoeking tot afgoderij, en dat was misschien een van de bedoelingen met hun langdurige opsluiting in de woestijn, namelijk dat hierdoor de afgoden van Egypte vergeten zouden worden, en het volk, als het ware, gelucht en ontsmet zou zijn, en het geslacht dat in Kanaän kwam deze diepten van Satan nooit gekend zou hebben. Maar nu zij over de Jordaan zullen gaan, komen zij weer in die verzoeking, en daarom:
1. Ontvangen zij streng bevel om al de overblijfselen van de afgoderij te vernietigen. Zij moeten niet slechts al de inwoners van het land uit de bezitting verdrijven, teneinde hun land in bezit te nemen, maar zij moeten al hun afgodische beeltenissen verderven, alsmede hun gegoten beelden, en al hun hoogten, vers 52. Zij moeten er geen van laten bestaan of bewaren, zelfs niet als gedenktekenen van de oudheid, om de nieuwsgierigen te bevredigen, of als versierselen van hun woningen, of als speelgoed voor hun kinderen, zij moeten ze allen vernietigen, beide ten teken van hun afschuw van afgoderij, en om te voorkomen dat zij in verzoeking zouden zijn, om die beelden te aanbidden en de valse goden, die er door voorgesteld werden, of wel om in zulke beelden of voorstellingen de God Israëls te aanbidden.
2. Hun wordt verzekerd dat God, zo zij dit deden, hen langzamerhand in het volle bezit van het land van de belofte zou stellen, vers 53-54. Indien zij zich zuiver hielden van de afgoden van Kanaän, dan zal God hen met de schatten van Kanaän verrijken. Leer hun weg niet, dan behoeft gij hun macht niet te vrezen.
3. Zij worden er mee bedreigd dat zij, zo zij hetzij de afgoden of de afgodendienaars spaarden, met hun eigen roeden geslagen zullen worden, en hun zonde gewis hun straf zal zijn.
a. Zij zullen adders aan hun boezem koesteren, vers 55. Wie van de Kanaänieten overblijven, zullen, als er een verbond met hen wordt aangegaan, al was het maar voor een wapenstilstand, doornen in hun ogen en prikkelen in hun zijden zijn, dat is: zij zullen bij alle gelegenheden een kwelling voor hen wezen, hen beledigen, en beroven en zoveel zij slechts kunnen kwaad onder hen aanrichten. Wij moeten last en moeite verwachten van hetgeen waaraan wij op zondige wijze toegeven, waarin het ook moge bestaan hetgeen waardoor wij ons in verzoeking willen laten komen, zal ons kwellen en plagen.
b. De rechtvaardige God zal het rad op de Israëlieten wenden, dat bestemd was om de Kanaänieten te verpletteren, vers 56. Ik zal u doen, gelijk als Ik hun dacht te doen. Er was bedoeld dat de Kanaänieten uit het bezit zouden gestoten worden, maar als de Israëlieten met hen instemmen en hun weg leren, dan zullen zij uit het bezit gestoten worden, want rechtvaardiglijk zou God dan meer misnoegd zijn op hen, dan op de Kanaänieten zelf. Laat ons dit horen en vrezen. Als wij de zonde niet uitdrijven, dan zal de zonde ons uitdrijven, als wij onze lusten niet doden, dan zullen onze lusten de dood veroorzaken van onze ziel.