Numeri 27:1-11
In vers 33 van het vorige hoofdstuk is van deze dochteren Zelafeads reeds melding gemaakt. Naar de bijzondere nota, die er van genomen wordt, schijnt het een buitengewoon geval te zijn geweest, en dat zulk een geval in geheel Israël nog niet was voorgekomen, namelijk dat het hoofd van een gezin alleen dochters, en geen zonen had. Haar geval wordt nogmaals besproken in hoofdstuk 36 ten opzichte van een andere bepaling er van, en volgens de uitspraak, die in haar zaak gedaan was, vinden wij haar in het bezit van de erfenis gesteld, Jozua 17:3,4. Men kan veronderstellen dat haar persoonlijk karakter van zo'n aard was, dat er gewicht door werd bijgelegd aan haar zaak, en dat er daarom zo dikwijls nota van genomen werd. Hier is:
I. Hare zaak door haarzelf voorgedragen en bepleit voor het hoogste gerechtshof, hetwelk bestond uit Mozes, als koning, de oversten als staatsraden, en de vergadering, of oudsten van het volk, die gekozen werden als vertegenwoordigers van het volk, vers 2. Deze hoge vergadering zat aan de deur van de tent van de samenkomst, opdat zij voor moeilijke gevallen het orakel konden raadplegen. Tot hen richtten deze jonge dochters haar verzoek, want het is de plicht van de overheid de wezen recht te doen, Psalm 82:3. Wij bevinden niet dat zij een advokaat hadden om voor haar te spreken, maar zij hebben zelf haar zaak zeer verstandig voorgedragen en bepleit, hetgeen haar zoveel gemakkelijker viel, omdat zij eenvoudig en eerlijk was, en zij dus het recht aan haar zijde hadden. Merk hier nu op:
1. Wat de inhoud is van haar verzoek, namelijk dat zij een bezitting mochten hebben in het land Kanaän in het midden van de broederen van hun vader, vers 4. Wat God aan Mozes gezegd had, Hoofdstuk 26:53, had hij getrouwelijk aan het volk bekend gemaakt, namelijk dat het land Kanaän verdeeld moest worden onder hen, die nu geteld werden. Deze dochters wisten dat zij niet geteld waren, en dus waren zij naar die regel buitengesloten, en moesten zij geen erfdeel verwachten, en het geslacht van hun vader moest dan beschouwd worden als uitgestorven kinderloos te zijn aangeschreven, hoewel hij al deze dochters had. Dit vonden zij hard, en daarom verzoeken zij erfgenamen te mogen zijn van hun vader. Indien zij een broeder hadden gehad, dan zouden zij zich niet tot Mozes hebben gewend (zoals iemand zich eens tot Christus heeft gewend, Lukas 12:13, om een bevel dat hij de erfenis met haar zou delen. Maar geen broeder hebbende, verzoeken zij om een bezitting. Hierin toonden zij:
a. Een krachtig geloof in de macht en de belofte van God betreffende het schenken van het land Kanaän aan Israël. Hoewel het nog niet veroverd was, en nog in het volle bezit was van de inboorlingen verzoeken zij toch om er deel in te hebben, alsof het alreeds van hun was. Zie Psalm 60:8-9. God heeft gesproken in zijn heiligheid, en dan: Gilead is mijn, en Manasse is mijn.
b. Een vurige begeerte naar een plaats en naam in het land van de belofte, dat een type was van de hemel, en indien zij, zoals sommigen denken, daar het oog op hadden, en aldus het eeuwige leven hebben aangegrepen, dan waren zij voorzeker vijf wijze maagden, en haar voorbeeld behoort ons op te wekken om met alle naarstigheid ons te verzekeren van ons recht op de hemelse erfenis, in de beschikking waarvan door het verbond van de genade geen verschil wordt gemaakt tussen man en vrouw, Galaten 3:28.
c. Ware achting en eerbied voor haar vader, wiens naam haar dierbaar was, nu hij was heengegaan, en daarom wensten zij dat zijn naam niet uit het midden van zijn geslacht zou weggenomen worden. Kinderen hebben een schuld aan de nagedachtenis van hun ouders, hun opgelegd door het vijfde gebod: Eer uw vader en uw moeder.
2. Wat haar pleitgrond is, namelijk dat haar vader niet gestorven is onder een oordeel, dat vervallenverklaring van zijn stand en verbeurte van zijn bezitting tengevolge had, maar in zijn zonde gestorven is, vers 3, niet betrokken in enigerlei muiterij of opstand tegen Mozes, inzonderheid niet in de opstand van Korach en zijn aanhangers, noch op enigerlei wijze betrokken was in de zonden van anderen, maar alleen schuldig was aan de algemene ongerechtigheid van het mensdom, en daarvoor moest hij zijn eigen Meester staan of vallen, maar aan een rechterlijke vervolging of aanklacht voor Mozes en de oversten had hij zich niet blootgesteld. Hij heeft nooit iets gedaan dat de rechten van zijn kinderen in de weg kon staan. Het is voor ouders, als zij komen te sterven, een grote vertroosting, zich niet bewust te zijn van die ongerechtigheden, die God bezoekt aan de kinderen al is het dan ook dat zij voor zich zeer te lijden hebben onder en wegens hun zonde.
II. Hare zaak wordt door het Goddelijk orakel beslist. Mozes heeft zich niet aangematigd om zelf een oordeel er over uit te spreken, omdat haar zaak wel rechtvaardig en billijk scheen, maar hij toch uitdrukkelijke orders had ontvangen, om het land onder de getelden te verdelen, en dat waren alleen mannen. Daarom brengt hij haar rechtszaak voor het aangezicht des Heeren, en wacht op Zijn beslissing, vers 5, en God zelf doet er uitspraak in. Hij neemt kennis van de zaken, niet alleen van volken maar ook van particuliere geschillen, en regelt ze naar de raad van Zijn wil.
1. Het verzoek wordt toegestaan, vers 7. De dochters van Zelafead spreken recht, gij zult haar zeker geven de bezitting van een erfenis. Zij, die een erfenis zoeken in het land van de belofte, zullen vinden wat zij zoeken, en andere dingen zullen hun toegeworpen worden. Dat zijn aanspraken, die God zal steunen en tot een goed einde brengen. Deze dochters van Zelafead gingen niet slechts met haar eigen gerieflijkheid en de eer van haar geslacht te rade, maar ook met de eer en het geluk van haar sekse, want bij deze bijzondere gelegenheid werd een algemene wet gemaakt, dat in geval iemand geen zoon had, zijn bezittingen zouden overgaan op zijn dochters, vers 8. Niet op de oudste dochter, zoals op de oudsten zoon, maar op allen in gelijke delen. Zij, die in zo'n geval hun dochters beroven van haar recht zuiver en alleen om de naam van hun familie in stand te houden, zullen tenzij haar een ruime vergoeding gegeven wordt beter de erfopvolging voor hun land, dan een zegen met en op dit land verzekeren.
2. Er worden nog verdere aanwijzingen gegeven voor de beschikking omtrent erfenissen vers 9-11. Indien iemand in het geheel geen kinderen heeft, dan moeten zijn bezittingen overgaan op zijn broeders, indien hij geen broeders heeft, dan op de broeders zijns vaders en indien ook deze er niet zijn, dan op zijn naasten bloedverwant. Hiermede komen ook onze Engelse wetten overeen. De Joodse wetgeleerden willen het zo zien opgevat, dat indien iemand geen kinderen heeft, zijn bezitting overgaat voor zijn broeders, op zijn vader indien deze nog leeft, maar hiervan staat niets in de wet, en in de Engelse wet komt een bepaling voor, die het uitdrukkelijk verbiedt namelijk dat geen bezitting in de opgaande lijn aan iemand kan toevallen, zodat, indien een zoon een vrij leengoed koopt, en nog bij het leven zijns vaders kinderloos sterft, zijn vader er de erfgenaam niet van zijn kan. Zie hoe God erfgenamen maakt, en in Zijn beschikkingen hebben wij te berusten.