Numeri 36:5-13
1. Hier wordt op uitdrukkelijk bevel van God de zaak tussen de dochters van Zelafead en de overigen van de stam van Manasse beslist en vastgesteld. Het verzoek wordt ingewilligd, en er wordt zorg gedragen om de gevreesde moeilijkheid te voorkomen, vers 5. De stam van de kinderen Jozefs spreekt recht. Zo zullen zij, die de orakelen Gods raadplegen betreffende het vastmaken van hun hemelse erfenis, niet alleen geleid en bestuurd worden in hetgeen zij te doen hebben, maar hun vragen er naar zal Gods goedkeuring verlangen, en zij zullen niet alleen hun wèl gedaan, maar ook hun recht gesproken, gij goede en getrouwe dienstknecht, als aanmoediging van God ontvangen. De zaak is dan nu geschikt: de erfdochters moeten verplicht worden niet slechts binnen de stam van Manasse te huwen, maar binnen het geslacht van de Heferieten, waartoe zij behoorden.
a. Zij worden niet beperkt tot enigerlei bijzondere personen, er was keus genoeg in de familie haars vaders. Laat haar die tot vrouwen worden, die in haar ogen goed zal zijn. Evenals kinderen het gezag van hun ouders moeten erkennen, en niet tegen hun zin moeten huwen, zo moeten ouders te rade gaan met de genegenheid van hun kinderen, als zij over hen beschikken, en hen niet dwingen personen te huwen, die zij niet kunnen liefhebben. Gedwongen huwelijken zullen niet waarschijnlijk een zegen blijken te zijn.
b. Toch worden zij beperkt tot haar bloedverwanten, opdat haar erfdeel niet in een andere familie zal overgaan. God wilde hun doen weten, dat het land onder hen verdeeld wordende door het lot, waarvan het gehele beleid van de Heere is, zij Zijn bepaling niet kunnen verbeteren, en haar dus ook niet moeten veranderen. De erfenis moet niet omgewend worden van stam tot stam, vers 7 opdat er geen verwarring onder hen zij, hun bezittingen niet onder elkaar zouden geraken, en hun geslachtslijsten niet verward en onduidelijk zouden worden. God wilde niet dat de ene stam verrijkt zou worden door de verarming van een anderen stam, daar zij allen gelijkelijk het zaad waren van Abraham Zijn vriend.
2. De wet, bij gelegenheid van dit bijzondere geval, werd geldig gemaakt voor altijd, en moest dus toegepast worden telkenmale wanneer zich weer zo'n geval voordeed, vers 8. Zij, die geen erfdochters waren, mochten huwen in welke stam zij wilden (hoewel wij kunnen veronderstellen dat zij zich gewoon binnen haar eigen stam hielden) maar die het wèl waren, moesten òf haar aanspraken op de erfenis opgeven, òf iemand van haar eigen familie huwen, opdat iedere stam zich aan zijn eigen erfdeel zou houden, de ene stam geen inbreuk zou maken op de andere stam, maar in al hun geslachten de oude landpalen onbewogen zouden blijven, daar zij gesteld waren, niet door hun vaderen, maar door de God van hun vaderen.
3. De onderwerping van de dochters van Zelafead aan deze bepaling. Kon het anders of zij moesten wèl en naar haar genoegen huwen als God zelf haar hierin leidde en bestuurde? Zij huwden de zonen van haar ooms, vers 10-12. Hieruit blijkt:
a. Dat het huwelijk van volle neef en nicht op zichzelf niet onwettig is of binnen de graad van bloedverwantschap valt waarin een huwelijk verboden is, want anders zou God deze huwelijken niet goedgekeurd hebben. Maar:
b. Dat zulke huwelijken over het algemeen niet raadzaam zijn, want zo er geen bijzondere reden voor was (een reden, die nu niet kan voorkomen, daar over het erfgoed thans niet, zoals toen, op bijzondere aanwijzing van de hemel beschikt wordt) dan zouden zij deze hun bloedverwanten niet gehuwd hebben. De wereld is wijd, en hij, die in oprechtheid wandelt, zal pogen ook met zekerheid te wandelen.
Eindelijk. Het besluit van het gehele boek, dat naar het laatste gedeelte verwijst: Dat zijn de geboden en de rechten, die de Heere door de dienst van Mozes aan de kinderen Israël's geboden heeft in de vlakke velden van de Moabieten aan de Jordaan van Jericho, vers 13, dat is de voorafgaande van hoofdst. 26 af, waarvan de meeste betrekking hebben op hun vestiging in Kanaän, hetwelk zij nu gereed stonden binnen te gaan. In welke nieuwe toestand God ons ook moge brengen, altijd moeten wij Hem bidden er ons de plichten van te leren en ons bekwaam te maken om ze te volbrengen opdat wij het werk van de dag op deszelfs dag doen en van de plaats in haar plaats.