Numeri 3:1-13
I. Hier wordt het geslacht van Aäron in het priesterambt bevestigd, vers 10. Tevoren waren zij er toe geroepen en gewijd, hier worden zij aangesteld, om hun priesterambt waar te nemen. Het werk en ambt van de bediening vereisen voortdurende oplettendheid en naarstigheid, dit werk keert zo herhaaldelijk terug, en toch zijn de gunstige gelegenheden om het te doen zo voorbijgaand, dat er steeds naar uitgezien moet worden. Hier wordt herhaald wat tevoren gezegd is, Hoofdstuk 1:51, de vreemde, die nadert, zal gedood worden, hetgeen een verbod is aan ieder, wie het ook zij, om zich in te dringen in het priesterambt, niemand moet naderen om te dienen dan Aäron en zijn zonen, alle anderen zijn vreemden. Het is ook een last aan de priesters om dorpelwachters te zijn in het huis Gods, ten einde zorg te dragen, dat niemand van hen aan wie dit door de wet was verboden, naderbij zou komen, zij moeten alle indringers weren, wier nadering een ontwijding zou wezen van de heilige dingen, hun zeggende, dat het op hun gevaar was, want zo zij naderden, zouden zij, evenals Uzza, sterven door de hand Gods. De Joden zeggen, dat later boven de deur van de tempel een gouden zwaard was opgehangen (wellicht met toespeling op het vlammend zwaard aan de ingang van de hof van Eden), waarop gegraveerd stond: de vreemde, die nadert, zal gedood worden.
II. Er wordt hier een bijzonder bericht gegeven van Aärons geslacht, wat wij hieromtrent tevoren gehad hebben, wordt hier herhaald.
1. De heiliging van de zonen Aärons, vers 3. Zij waren allen gezalfd om voor het aangezicht des Heeren te dienen, hoewel het later is gebleken, en God het heeft geweten, dat twee hunner wijs waren, en twee dwaas zijn geweest.
2. De val van de twee oudsten, vers 4, zij offerden vreemd vuur en zijn daardoor gestorven, voor het aangezicht des Heeren. Dit wordt vermeld in de inleiding van de wet op het priesterschap, ter waarschuwing aan alle opvolgende priesters, Iaat hen door dit voorbeeld weten dat God een ijverig God is, en zich niet zal laten bespotten, de heilige zalfolie was een eer voor de gehoorzamen, maar geen beschutting voor de ongehoorzame. Er wordt hier gezegd: Zij hadden geen kinderen. Gods voorzienigheid had het ter verzwaring van hun straf zo beschikt dat van hen geen nakomelingen onder de priesters waren, om de naam op te houden van hen, die Gods naam hadden ontheiligd.
3. De bevestiging van de twee jongsten, Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vaders Aärons. Dit geeft te kennen:
a. De zorg, die zij droegen bij hun dienstwerk, om geen vergissingen te begaan, zij bleven onder het oog van hun vader, en lieten zich voor alles wat zij deden door hem onderrichten omdat Nadab en Abihu waarschijnlijk van onder het oog van hun vader waren weggegaan, toen zij vreemd vuur offerden. Het is voor jonge lieden goed om onder de leiding en het toezicht te handelen van bejaarde en ervaren lieden.
b. De troost, die dit was voor Aäron, het was hem lieflijk te zien, dat zijn jongere zonen zich ernstig en voorzichtig gedroegen, nadat de ouderen zich zo misdragen hadden. Het is een grote voldoening voor ouders om hun kinderen "in de waarheid te zien wandelen," 3 Johannes : 4. 4. Een schenking wordt gemaakt van de Levieten, om hulpen te zijn van de priesters bij hun werk. Gij zult dan aan Aäron en zijn zonen de Levieten geven, vers 9. Aäron had een groter eigendomsrecht in en macht over de stam van Levi, dan iemand anders van de oversten had over zijn stam. Er was zeer veel werke, dat tot het priesterambt behoorde, en er waren nu slechts drie paar handen om het te doen, die van Aäron en van zijn twee zonen, want het blijkt niet, dat iemand van hun toen kinderen had, tenminste geen, die de leeftijd hadden om te dienen, en daarom stelt God de Levieten aan om hun behulpzaam te zijn. Voor wie God werk vindt, zal Hij ook hulp vinden.
Hier is:
a. De dienst, waarvoor de Levieten bestemd waren: zij moesten de priesters dienen bij hun dienst voor de Heere, vers 6, en Aärons wacht waarnemen, vers 7, zoals de diakenen de bisschoppen dienen in de Evangelische instellingen, de tafelen dienen, terwijl zij hun dienst waarnamen. De Levieten slachtten de offers, en dan behoefden de priesters slechts het bloed te sprengen en het vet te verbranden, de Levieten bereidden het reukwerk, de priesters brandden het. Zij moesten niet slechts Aärons wacht waarnemen, maar ook de wacht van de gehele vergadering. Het is een groot goed, dat aan leraren is toevertrouwd, niet slechts voor de eer van Christus, maar voor het welzijn van Zijn kerk, zodat zij niet alleen de wacht moeten waarnemen van de grote Hogepriester, maar ook getrouw moeten zien aan de zielen van de mensen, waarvan de wacht hun ook is opgedragen.
b. De reden waarom de Levieten tot de dienst geëist werden, zij werden genomen in de plaats van de eerstgeborenen. De bewaring van de eerstgeborenen van Israël, toen al de eerstgeborenen van de Egyptenaren (met wie velen van hen vermengd waren) werden gedood, werd beschouwd door Hem die nooit een onredelijker eis doet als een genoegzame reden om zich voortaan alle eerstgeborenen toe te eigenen, vers 13. Alle eerstgeborene is voor Mij. Dat was voldoende om hen tot de Zijnen te maken, al had Hij er ook geen reden voor gegeven, want Hij is de enige oorsprong en Heere van alle wezens en van alle machten, maar omdat alle gehoorzaamheid moet voortvloeien uit liefde, en daden van plicht daden van dankbaarheid moeten wezen, werden zij, eer zij tot bijzondere diensten opgeëist werden, met bijzondere gunsten gekroond. Als Hij, die ons geschapen heeft, ons behoudt, dan worden ons hierdoor nog meerdere verplichtingen opgelegd om Hem te dienen en voor Hem te leven. Gods recht op ons door de verlossing bevestigt Zijn recht op ons door de schepping.
Omdat nu de eerstgeborenen in een gezin gewoonlijk het meest bemind en in aanzien zijn, en sommigen het als een verkleining van hun eer zouden achten, om hun oudste zonen als dienaren van de priesters aan de deur van de tent van de samenkomst de wacht te zien houden, heeft God de gehele stam van Levi voor zich genomen inplaats van de eerstgeborenen, vers 12. Gods inzettingen staan de rechtmatige belangen van de mensen niet in de weg, en gaan hun redelijke gevoelens en neigingen niet tegen. Er werd verondersteld dat de Israëlieten liever de Levieten dan hun eerstgeborenen zouden afstaan, en daarom heeft God genadiglijk die ruil bevolen, maar voor ons heeft Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard.